elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tien

tien , tien , (telwoord) , Zie de wdbb. – In verkl. tientje, als zelfstandig naamwoord bij olieslagers. Tien hectoliters. || Een tientje lijnolie ofleveren, verkopen enz. – Vgl. vijf.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
tien , tienĕ , tien.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
tien , tiine , telwoord , tien. Maar: dätteine, veerteine etc.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
tien , tiene , telwoord , 10
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
tien , tie:n , tien.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
tien , tiene , tien.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
tien , tien , tiene, taine , telwoord , Ook tiene (Zuidwest-Drenthe, veengeb. Oost-Drenthe), taine (Zuidoost-Drents veengebied) = tien Hej ook tien eier veur mij? (Koe), Ik tel tot tien en dan moej vort weden (Eex), Een tiene van de meister en een kus van de juf de hoogst bereikbare waardering voor een werkstuk (Ruw), Die kan niet tut tiene tellen hij is dom (Ker), Zij waren met zien tienen (Klv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tien , tién , tien.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
tien , tiene , tien
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
tien , tiene , tien.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
tien , tiene , telwoord , tien
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
tien , tiene , zelfstandig naamwoord , de; het cijferteken tien
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
tien , tiene , (telwoord) , tien.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
tien , tiejn , tien
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
tien , tieën , (tieë\n) , tien , Eine mins haet tieën vingers en tieën tieën.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
tien , tieën , tien
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal