elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tilbaar

tilbaar , [roerend goed] , tilber , (bijvoeglijk naamwoord) , [weinig gebruikelijk] tilber gôd, roerend goed.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
tilbaar , tilber , (bijvoeglijk naamwoord) , tilber gôd, roerend goed.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
tilbaar , tilbĕr , roerend goed.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
tilbaar , tilber , bijvoeglijk naamwoord , (Zuidwest-Drenthe, noord) = tilbaar Hekkies, krooien, linnerikken en aander tilber spul (Die)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tilbaar , tilber , de, het , tilbare spullen, roerend goed, inventaris Het tilber wordt verkocht en det zal ook nog wel wat opsmieten (Hgv), Mit het schonen zetten de vrouwlu de tilber aaid boeten (Bor), De paander dee anwies van het tilber (Gas)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal