elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: toehoorder

toehoorder , toeheurdĕr , hoorder (die naar een vreemden dominé luistert).
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
toehoorder , toehèurder , de , toehèurders , 1. toehoorder, luisteraar Aj wat vertelt, hej wel graag dat er toeheurders bint (Hol), Ik was gewoon toeheurder (Man) 2. luisteraar bij een te beroepen dominee Bij de benuming van oes domnee was ik ok toehèurder (Sle), De domeneer hef toeheurders had (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
toehoorder , toeheurder , zelfstandig naamwoord , de; iemand die iets aanhoort; vooral: iemand van een kerkenraad die een predikant in diens eigen gemeente hoort
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
toehoorder , toeheurder , zelfstandig naamwoord , de 1. toehoorder, elk die komt luisteren 2. zie heurder
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal