elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: toeter

toeter , tûtert , (mannelijk) , blaasinstrument.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
toeter , toetert , toetertje , blaasinstrumentje als speeltuig voor kleine kinderen. Ook opgerolde dunne nieuwjaarskoek, rolletje, omdat deze wel wat op een toethoorn lijkt. Verkleinwoord hiervan: toetertjes, als meervoud.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
toeter , toeter , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , 1) Iemand die toet, op de hoorn blaast. Zie de wdbb. en vgl. blaastoeter. 2) Instrument waarop men blaast, toethoorn. || Kleine Jan heb met kerremis ’en toeter ’ekregen. Zou er brand wezen? ik docht dat ik de toeter hoorde. – Evenzo elders in Holl. en in het Stad-Fri.; vgl. ook Gron. toetert in deze zin (MOLEMA 426). || Die toeters schel van klank, OUDAAN, Roomsche Mogentheid 373. 3) Als benaming van zekere schermbloemige plant met witte bloemen. Pijpkruid, fluitekruid, Lat. Chaerophyllum sylvestre (VAN HALL, Landh. Flora 99). Zo geheten omdat kinderen van de holle stelen een blaasinstrument maken. || We hewwe toeters ’ezocht. – Evenzo elders in N.-Holl.; vgl. HILDEBRAND, Cam. Obsc.13 310: “Veldin (de hond) .. sprong uit het hooge toeterloof … te voorschijn”, en Na 50 Jaar 207. In W.-Friesl. zegt men ook van iemand, die uit vrijen gaat, schertsend: “Hij gaat an ’et toeters zoeken”, omdat vrijende paren gaarne eenzame wegen opzoeken. – Vgl. toeterschouw.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
toeter , toetert , in de tweede beteekenis meer algemeen: toetertje .
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
toeter , toetĕrt , kindertrompet.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
toeter , [mond, snoet] , toeter , mond, snoet.
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
toeter , toetrd , zelfstandig naamwoord, mannelijk , oorveeg
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
toeter , toeter , zelfstandig naamwoord de , Ook: 1. Hoorn, trompet. 2. Fluitekruid, schermbloemige plant. 3. Meisje, grietje. | ’t Is ’n lekkere toeter. 4. Gezicht, toetje. | Ze het ’n pittige toeter. Zegswijze as ’n toeter weze, stomdronken zijn.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
toeter , toeter , toeterd , de , toeters , Ook toeterd in bet. 2. en 4. = 1. blaasinstrument Aal aovend pakt e zien toeter urn te oefen (Eex), Jannes biw nog wel les zat met zien toeter (Hav), Hij is zo dronken as een toeter (Gas), Het is zo schelf as een toeter (Vri) 2. pak slaag, klap (Zuidoost-Drenthe, zand, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Ik heb hum een beste toeter egeven (Nije) 3. plant a. fluitekruid, Anthriscus sylvestris (Noord-Drenthe, Zuidoost-Drenthe, zand, Zuidwest-Drenthe, zuid) Een toeter is fluitekruid (Row), Stlekels en toeters hebt een penwortel (Eev) b. Oost-Indische kers, Tropaeolum majus (Zuidoost-Drenthe, veen) 4. huilebalk Dat kiend is een dikke toeterd (Hav), Den toeterd kan overal urn toeten (Sti) 5. fabriekssirene (Zuidwest-Drenthe, zuid) De toeterd, die geet (Pes), z. ook toet II 6. lichaam (Zuidoost-Drenthe, zand) Ik heb hum een hap op de toeter geven pak slaag (Sie) 7. borrel (Zuidwest-Drenthe, noord) Hij haar een beste toeter op (Dwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
toeter , toeter , toete , zelfstandig naamwoord , de 1. stoomfluit, fabrieksfluit, fabriekssirene 2. feesttoeter (vaak van papier), toeter als speelgoed 3. in zo dronken as een toeter stomdronken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
toeter , tóéter , tuutter , autoclaxon
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
toeter , toeter , trom , zwangere buik, dikke toeter.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
toeter , toeter mè pep , gebakje met slagroom
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.
toeter , tuuter , zelfstandig naamwoord , tuuterke , toeter, toethoorn, claxon; tuuterke - verkleinwoord; toetertje, speelgoed-blaasinstrument; Pierre van Beek - tuuterke (kregen de kinderen met de kermis) (Tilburgse Taaklplastiek 128)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal