elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: toezebol

toezebol , toesseboltĕ , lischdodde.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
toezebol , toessebollen , lisdodden.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
toezebol , toezebolte , toezebolle, toezebolter, toezebolder, toezebol, tu , de , toezebolten , (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied). Ook toezebolle, toezebolter, toezebolder, toezebol (Kop van Drenthe), tuzebol (Zuidwest-Drenthe, zuid), doezebol (Zuidwest-Drenthe) = lisdodde Toezebolten, daor worde vrogger het laampeglas mit schone maakt (Ruw), Toezebolders gebruukten ze vrogger um er kussens van te maken (Hol), Een doezebolte kuj ien een dreugboeket verwarken (Rui), z. ook doeskodde
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
toezebol , toestebòlte , toesebòlte , bloemstengel van een lisdodde
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
toezebol , toesebolle , (zelfstandig naamwoord) , lisdodde. Zie ook: pollepeze, pallempeze.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal