elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: triem

triem , trem , (vrouwelijk) , tremmen , sport, spaak. De tremmen van den stoel zijn los gegaan, er moet een nieuwe trem in gestoken worden. De tremmen zijn even zoo de steunsels en binten van den stoel, als de spaken van het wiel, en de sporten van de ladder.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
triem , treemen , sporten, treden. Oostfriesch trame, trâm, trime, trîm = sport van eene ladder of van een stoel; balk of draagstang van eene kruikar. Kil. trame (Fris.) sporte, Nederduitsch traam, Middel-Nederduitsch traam, trame, treme, Noordfriesch trem; Middel-Hoogduitsch drâm, trâm = balk, richel, Schotsch, Noorweegsch tram.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
triem , triem , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Sport, dwarslat, inzonderheid van een stoel. || De triemen van de stoel benne los’egaan. We moeten der en nuwe triem inzetten. – In houtzaagmolens ook als naam van de evenwijdige balkjes of leggers die de beide sleedsstellingstukken verbinden. Evenwijdig aan deze triemen zijn de rollen, waarop de slede voortschuift, aangebracht. Zie Groot Volk. Moolenb. I, pl. 4, en Groot Alg. Moolenb. I, pl. 28 en 30. Vgl. triemneut. – Ook in Waterland kent men triem in de zin van stoelsport (Taalgids 6, 310); in de Beemster zegt men trem (BOUMAN 108). Het woord komt in vele Ned. en Ndd. dialecten voor in verschillende bijvormen en met de bet. van sport van een stoel, van een ladder, boom van een wagen enz.; zie KIL. en LÜBBEN (trame), HALBERTSMA 597 (trime), MOLEMA 430 (treem), W. DE VRIES, Tongval v. Noordhorn, § 96 (triem), KOOLMAN 3, 429 (trame, trime), OPPREL 87 (treem, triem), SCHUERMANS 742 (treem), DE BO² 1019 (traam), enz.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
triem , treemĕ , sport v. e. ladder.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
triem , triem , zelfstandig naamwoord de , Treem, sport van een stoel of ladder. Zie voor de herkomst het N.E.W. onder treem 1.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
triem , treem , triem , zelfstandig naamwoord , treeme, trieme , treempie, triempie , [O] 1. boom van een wagen 2. burrie van een kruiwagen 3. sport van een stoel 4. arm van een hanglamp Ook triem
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal