elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: uitgaan

uitgaan , [naar buiten gaan, aflopen] , uitgaan , (werkwoord) , afloopen, eindigen. Slag of hoogsel van een huis of andere vaste goederen bij eene publieke verkooping uitgaan beteekent den koop toegeëigend worden.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
uitgaan , oetgaon , voor: sterven, ook Gron.: zij’s zacht oetgoan = zij is zonder pijn of benauwdheid gestorven.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
uitgaan , oetgoan , sterven, doch alleen het deelwoord: zij ’s zacht oetgoan = haar uiteinde was zacht en kalm; ook Drentsch (vgl. ’t Fransche s’éteindre = sterven) – Ook = uitzeilen, vertrekken van een zeeschip; nijt weer oetgoan = niet weer naar zee gaan, van bewindvoerders, stuurlui, en ook van schepen gezegd. – van geld oetgoan, zooveel als: tuk op winst zijn, steeds er op uit zijn om geld te verdienen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
uitgaan , uitgaan , (onregelmatig werkwoord) , zie een zegsw. op pijp.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
uitgaan , oetgoan* , vgl. het Fransche “s’éteindre” = sterven.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
uitgaan , uutgaon , uitgaan.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
uitgaan , uitgaan , werkwoord , Ook: overlijden. Zegswijze deer gaat m’n poip van uit, nu barst mijn klomp.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
uitgaan , utjgao , uitgaan, café’s bezoeken, aan de zwier gaan.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
uitgaan , uutgoan , gung (gunk) uut, uut egoane , uitgaan.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
uitgaan , oetgaon , sterk werkwoord, onovergankelijk , 1. uitgaan De schaop gaot oet (Zwig), De koenen bint gister oetgaon uit de stal gekomen (Sle), Zien dochter is het hoes oetgaon woont niet meer thuis (Bov), Hij giet het huus niet meer uut komt niet meer buitenshuis (Wap), ...of ze kuiert de straot langs as scheper oetgiet (ti), Der op uutgaon veur een dittien of een dattien (Noo), Töt de jasse uutgaon de jas uitdoen (Smi), Dat giet de goeie kant uut de goede kant op (Eri), (zelfst.) Dat volk is geregeld an het oetgaon, daor komp van het wark niks terechte (Bei), (fig.) Der kan veule, maor ok niks van joe uutgaon (Smi) 2. van iets uitgaan IJ kunt maor zo neeit van die mening oetgaon (Gas) 3. sterven, doodgaan (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied) Klaos is vanmiddag uut egaone, ...esturven (Hav), As een nachtkeersien is hij uutgaon (Coe), Hie hef niet leden, hie is zaacht oetgaon (Eex), ook gezegd van planten (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe) Die boom giet oet deur die dreugte (Pdh), Ik hebbe een hele hede um de hof ezet, maar ze bint allemaole uut egaone (Uff) 4. ophouden te branden of licht te geven De laampe giet uut (Bro), Hie hef de kachel oet laoten gaon (Sle), (fig.) De laamp is hum oetgaon hij is overleden (Gie), ook Hum is de piep oetgaon (Bco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
uitgaan , uutgaon , 1. uitgaan; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: op visite gaan
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
uitgaan , ûtgi , uitgaat , Ût de módde, ût de frut, ût de kèrk, mér zólang èùw lémpke mér nie ût gi. Uit de mode, uit de knoop, uit de kerk, maar zolang jou lampje maar niet uit gaat.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
uitgaan , uutgaon , werkwoord , 1. uitgaan: van vlam, licht e.d. 2. van de wind: gaan liggen, ook: naar een andere windrichting gaan, vooral: van het westen naar het noorden 3. overlijden 4. uit iets gaan 5. zich verwijderen over een pad, weg, stuk land 6. op pad gaan om te verwerven of voor ontspanning, om te ondernemen 7. uitgaan van een kerk, school 8. het initiatief nemen tot iets, ook negatief: aanstichten 9. van land, percelen: in een langgerekt verband achter elkaar liggen, tot de grens van het gebied als geheel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
uitgaan , uutgaon , (werkwoord) , uitgaan.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
uitgaan , uitgòn , op stap gaan, uitgaan,; zie voor vervoeging gòn , Venôvund gòn we uit. Vanavond gaan we op stap., ’t Karske góng bèij ’m uit. Het kaarsje ging bij hem uit. Hij stierf.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
uitgaan , oetgaon , 1. uitgaan 2. doven , Geis se vanaovendj mèt oet of bliefs se thoes?
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
uitgaan , ötgaon , sterk werkwoord , ötgaon - ging/gong èùt - ötgegaon , uitgaan; de kèèrk gao èùt; die meense gaon veul èùt; Cees Robben: vurdèttie de deur 'ötgao'; ze doe niks as rôoken èn ötgaon; Frans Verbunt: as ge ötgaot, moete oewen èèrmoej töslaote; WBD III. 3. 1:42 'uitgaan', 'aan de zwier gaan, de hort opgaan, op stap gaan, op sjanturnel gaan, pierewaaien, zwalken, dweilen' = uitgaan
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal