elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: uitsnuiven

uitsnuiven , oetsnoeven , oetsnuten , snuiten van den neus; snuut die oet, jong! snuit uwen neus, jongen! evenwel: doe mōst die oetsnuten, of: oetsnoeven; “Krieg dien buusdouk, Pijt (die schreide) zee ze, snuut tie oet en goa nou moar hen.”
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
uitsnuiven , uutsnoevĕn , uitsnuiten. Snoef dĕ neuze is uut.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
uitsnuiven , uutsnoem , snoem (sneuf) uut, uut esnöam , uitsnuiven.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
uitsnuiven , oetsnoeven , sterk werkwoord, overgankelijk , snuiten Toe jong, je moet je neus ies oetsnoeven (Eke), (fig.) Iene de neuze uutsnoeven de wacht aanzeggen (Dwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
uitsnuiven , uutsnoeven , werkwoord , 1. uitsnuiven 2. leegsnuiten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
uitsnuiven , uutsnoeven , (werkwoord) , uitsnuiten.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
uitsnuiven , uutsnoeven , uutsnotteren , (de neus) snuiten.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
uitsnuiven , oe~tsnoe~ve , snaof oe~t – oe~tgesnaove , snuiten
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal