elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vaars

vaars , vaars , (vrouwelijk) , vaarzen , enter, enterling, eersteling. Vroeger var, varre, jong rund, of ook wel uitsluitend, jonge stier; later heeft men het woord vaars alleen toegepast op een tweejarig rund dat voor de eerste maal kalft: van daar kalfvaars, en melkvaars.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
vaars , veerse , vers , (meerv. veerzen) = koe, die nog niet gekalfd heeft, Gron. veerze, veers, HD. Färse. Vergel. var en: (v. Dale) vaars, vaarkoe = jonge koe. Zie: starke.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
vaars , veerze , vierze , (vrouwelijk) , [weinig gebruikelijk] vaars.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
vaars , veerze , vierze, verze , (vrouwelijk) , vaars.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
vaars , veerze , veers , vrouwelijk jong van eene koe; veers of veerze ook: jonge koe die nog niet gedragen heeft; overloopersveers = overlooper = eene vaars die een jaar later dan gewoonlijk drachtig wordt. Drentsch veerse, starke = koe, die nog niet gekalfd heeft; starkenkalf, sterekenkalf, veerskalf, Hoogduitsch Färsenkalb = kalf van het vrouwlijk geslacht.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
vaars , vaars , veers , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Daarnaast veers. Koe van twee jaar, die nog niet gekalfd heeft (vgl. pinkvaars op pink, en schotvaars), of die voor de eerste maal drachtig is of kalft (alsdan ook in samenst. kalfvaars, melkvaars). Zo ook elders; zie de wdbb.|| Veerzen en hokkelingen. – Ook in de naam van stukken land, waarop vaarzen werden geweid. || De Veerzenven (weiland te Wormerveer). De Veerseven (in de Achtersluis-polder onder Oost-Zaandam), Custb. (a° 1740). Veerskeven (onder Westzaan, tussen Twis en Reef), Polderl. Westz. I f° 29 (a° 1628). Veersjesven (te Zaandam, buitendijks), Koopbrief (a° 1674). – De Veerzenweid (onder Jisp; reeds in een testament van 1585. Zaanl. Oudhk.). De veerseweyd, Polderl. Westz. IV f° 376 (a° 1649).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
vaars , veersĕ , koe die twee jaar oud is.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
vaars , veers , zelfstandig naamwoord de , Vaars.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
vaars , veers , vèèrs , zelfstandig naamwoord , (KRS: Hout) vèèrs (LPW: Lop) vaars, jonge koe beneden de twee jaar oud, die nog niet, of éénmaal gekalfd heeft Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee en hoofdstuk 2, punt B.9. Zie verder Van Veen (1964, p. 87-89 en kaart 11): oostelijk veers tegenover Zuidhollands vèrs .
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
vaars , veerze , vaars.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
vaars , veerze , vaars.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
vaars , vèers , veers, veerze , de , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe). Ook veers (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), veerze (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, veengebieden Oost-Drenthe) = vaars De veerze bliekt al mooi (Klv), ...nuurt al mooi (Bov), Wat hej daor een mooie vèers lopen; hej hum al bij de bolle had? (Bei), Die veerze hef het kalf ofzet (Eke)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
vaars , veers , vaars.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
vaars , veerze , 1. vaarskalf; 2. jonge koe na de eerste kalving
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
vaars , veerze , vaars.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
vaars , vàèrs , vaars , Un vàèrs is 'n koej die nog vur d'n urste kiir moet kalleve, dur’nao is'se vàèrs af. Een vaars is een koe die nog voor de eerste keer moet kalveren, erna is ze kalfkoe af.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
vaars , veerze , zelfstandig naamwoord , de; vaars, nl. jonge koe
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
vaars , vaers , zelfstandig naamwoord , vaerse , vaersie , jonge koe, die nog nooit gekalfd heeft
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
vaars , veers , vaars (jonge koe)
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
vaars , veerze , (zelfstandig naamwoord) , vaars (jonge koe die één keer of nog niet gekalfd heeft).
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
vaars , vèès , vaars, jonge koe die nog niet gekalfd heeft , n’n boer die koeie-neet, èè d’ok altij vèèze = een boer die koeien heeft, heeft ook altijd vaarzen-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
vaars , vèès , zelfstandig naamwoord , jonge koe, vaars (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
vaars , vaes , (vae\s) , (vrouwelijk) , vaeze , vaeske , vaars, koe die voor de eerste keer moet kalven , Ein vaes. Ei vaes käöfke: een vrouwelijk kalf.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
vaars , vèèrs , zelfstandig naamwoord , vèèrze , WBD jonge koe, ook genoemd: 'vejrs', 'vaors', 'kalfveers', 'kalfmaol'; WBD koe die voor de eerste keer drachtig is, ook 'maol' genoemd; WBD vèèrskalf - vrouwelijk kalf, ook genoemd: 'vèrskalf', 'vijrskalf' of 'kuuskalf'; WBD kalfvèèrs - koe die kalven moet, ook genoemd: 'kalfkoej'; WBD vètte vèèrs - vette vaars; WBD koe die pas gekalfd heeft = vèèrs, of 'vérs'(bijvoeglijk naamwoord ) of 'vòrs'(bijvoeglijk naamwoord ), ofwel 'vòrse koej' of 'vorse'; DANB vaole 'vo:ze' ziede nie veul langs dees kaante - vale vaarzen ziet men hier niet veel; A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - vä.rs, znw.vr. 'veers' - vaars; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VEERS znw.v. - hetz. als Holl. vaars; vèèrze - meervoud van 'vèèrs', vaars; kalveren; Audio-opname 1978 – “… èn dan daor gienderwèèd die koeje èn die vèèrze stonden ammel vaastgebonde…” (Interview met dhr. Bertens; transcriptie Hans Hessels 2013)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal