elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vakantie

vakantie , fiekansie , vacantie.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
vakantie , vekánsie , verkánsie , zelfstandig naamwoord de , Variant van vakantie.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
vakantie , vekaansie , vakantie.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
vakantie , vekansie , vakansie, vekaansie, vakantie , de , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook vakansie, vekaansie (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Noord-Drenthe), vakantie (Noord-Drenthe) = vakantie Zie hebt hum ofraoden allennig op vekaansie te gaon (Eex), As het wèer zo blif, gaore wij misschien nog een paar dagen met vekansie (Bei)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
vakantie , vekaansie , (Gunninks woordenlijst van 1908) vakantie
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
vakantie , vekansie , vakantie , Ut zal óns vaore és ge vur 'n mônd óp vekansie gô, gôd'de nô't bûiteland? Het zal ons niet meevallen als je voor een maand op vakantie gaat, ga je naar het buitenland?
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
vakantie , vekaansie , zelfstandig naamwoord , de; vakantie
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
vakantie , fekááñsie , zelfstandig naamwoord , fekááñsies , fekááñsietjie , vakantie
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
vakantie , vekansie , (zelfstandig naamwoord) , vakantie.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
vakantie , vekantie , vakantie , Pòsvekantie. Paasvakantie.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
vakantie , vakaansie , vakantie
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
vakantie , vekaansie , verkaansie , zelfstandig naamwoord , vakantie; Cees Robben – hedde gij vekaansie-geld... (19560804); Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'vacaantie'; A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ; ve(r)kansi, znw.vr. en m. 've(r)kantie' - vakantie
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal