elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: valhoed

valhoed , valhoed , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zie de wdbb. – Zegsw. ’t Is een kerel as een kind, as hij maar een valhoed ophad, gezegd van een flauwe man.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
valhoed , [soort hoofddeksel] , valhoed , dik zwart kinderhoedje.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
valhoed , val-oed , (Gunninks woordenlijst van 1908) hoed met slappe rand
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal