elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: verneemstig

verneemstig , vernemstig , vlug van bevatting, schrander, vindingrijk. Z. n. Vernemstigheid.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
verneemstig , vernemstîg , vernuftig, vindingrijk; Gron. (Westerw.). vernumstig = vernuftig, schrander, van kinderen. Neders. vernimstig = schrander, alleen van zeer kleine kinderen. Van: vernemen, in de beteek. van: opmerken, waarnemen, acht slaan op, letten op, enz.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
verneemstig , [bijdehand; slim] , vernimstig , vernemstig , (bijvoeglijk naamwoord) , bij de hand; vlug in ’t leeren.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
verneemstig , vernumstîg , (Westerwolde) = vlug van bevatting, gemakkelijk handgrepen aanleerend, vernuftig, schrander; ook = ijverig. Wordt vooral van kleine meisjes gezegd, bv. als zij al vroeg kunnen breien, enz. Drentsch vernemstig = vernuftig, vindingrijk. Oostfriesch nümig = vernuftig, inzonderheid van kleine kinderen die beginnen op te merken en te denken; Nedersaksisch nimig, niemhaftig = verstandig, schrander, opmerkzaam op alles; vernimstig, alleen van kleine kinderen, die naar hunne jaren zeer schrander en leerzaam zijn; Wangeroog niumig. – Verwant met: noemen, vernemen en: vernuft. Bij Notker: neimo = ik vat, versta, in den zin van: bevatten, begrijpen. Zie: numîg.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
verneemstig , vernemstig , venemstig , (bijvoeglijk naamwoord) , Aannemelijk, wie gemakkelijk iets begrijpt. ʼn Ve(r)nemstige jonge. Gron. Vernūmstig.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
verneemstig , vĕrnemstĕch , slim, vernuftig.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
verneemstig , [aannemelijk] , vernemstig , venemstig , (bijvoeglijk naamwoord) , Aannemelijk, wie gemakkelijk iets begrijpt. ʼn Ve(r)nemstige jonge. Gron.: Vernümstig.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
verneemstig , vernièmstig , vernuftig, bevattelijk
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
verneemstig , veneamsteg , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , schrander, goed bij
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
verneemstig , venemstig , waakzaam, opmerkzaam, pienter.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
verneemstig , vernemstig , pienter.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
verneemstig , vernimstig , vernumstig, vernemstig, veurnemstig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook vernumstig (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe), vernemstig (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid), veurnemstig (Midden-Drenthe) = 1. vernuftig, pienter, vindingrijk, handig Die jonge is barre vernemstig. As hij wat eziene hef, kan hij het ook naomaken (Ruw) 2. voornaam (Zuidwest-Drenthe, noord, Midden-Drenthe) Hij kek wat vernimstig, ...vèurnaem toe (Dwi), Hij döt nogal vernemstig, hij stamt dan ok oet een heel aold geslacht (Hijk)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
verneemstig , vernemstig , vernämstig , 1. handig; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: schrander
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
verneemstig , vernemsteg , pienter. ’t Is ’n vernemsteg jongchien, hie hef ’t gauw in de slag.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
verneemstig , vernemstig , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , verstandig, schrander.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
verneemstig , vernemstig , vernuftig, schrander, intelligent, verstandig.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal