elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vier

vier , vieere , veere , (telwoord) , vier.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
vier , vijêrn , vijrn , vieren (telwoord); mit zien vijêrn = met zijn vieren; in zien vijêrn opspringen = van zijn’ stoel opspringen door drift of door schrik. Eigenlijk zooveel als: met alle vier pooten tegelijk overeind gaan, als bv. paarden en lammeren. In ’t Nederlandsch zou men zeggen: vierkant van zijn stoel opspringen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
vier , vier , (telwoord) , zie een zegsw. op staan.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
vier , veerĕ , vier.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
vier , veere , telwoord , vier
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
vier , veere , telwoord , 4
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
vier , vaare , vaier, vêr , vier
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
vier , vier , telwoord , in de zegswijze op vier en acht staan (op vierewacht staan) 1. Wijdbeens staan. Eig als de wijzers van de klok die resp. op de vier en op de acht staan. 2. Rustig en voor iedereen te zien ergens staan. 3. Ergens staan waar men in de gaten loopt. | We stane hier zô erg op vier en acht, leite we maar effies deurloupe. 4. Scherp staan opletten.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
vier , vere , vier.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
vier , veer , vèer, vier, veier, vaar, vaier , telwoord , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook vèer (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe), vier (Zuidoost-Drents veengebied), veier (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, zuid), vaar (Veenkoloniën), vaier (Kop van Drenthe). Bij zelfstandig gebruik uitgang op -e (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, veengebieden Oost-Drenthe) = vier Het is wel al vaar uur (Twe), Ie kunt dat ding nog niet mit veer man verzetten (Bro), Ze waren mit zien veiern (Bov), Hoeveul neuten hest doe? Veiere? (Bco), Ik heb er maor vare (Vtm), Zie bint mit ’n verend an het dörschen (Hav), Het is zo wis as twie maol twie veer is (Sle), De eier bint no op de vere kosten vier voor een dubbeltje (Die) *Zo is het net en veier stokken is net een teutebelle var. op zo is het en niet anders (Hol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
vier , viere , vier
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
vier , viere , vier.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
vier , viere , hoofdtelwoord , vier, bijv. vier meensken vier personen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
vier , viere , zelfstandig naamwoord , de 1. het cijferteken vier 2. waarderingscijfer op proefwerken e.d. 3. kaart met vier ogen, bijv. een viere opgooien
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
vier , viejer , vier
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
vier , vere , veer , (telwoord) , vier. Doe mi’j der maer vere. Ook: veer. Dät bint veer euro’s.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
vier , veer , vier , Mèt z’n vere.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
vier , veer , vier
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal