elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vlaak

vlaak , vlaok , (W. v. Drente); een van rijs gevlochten scherm om over eene sloot als brug te dienen. Kil. vlaeck = horde; v. Dale vlaak = losse houten vloer; Oostfr. flake, flâk = hekwerk van twijgen ter afsluiting, vlechtwerk, Neders. flake, fläke, Noordfr. flage, flacke, Eng. fleak, Schot. flaik, flake, flate; Goth. flahta = vlechtwerk, van flaihtan, OHD. flehtan = vlechten. Westf. fleke = zijstukken, ladders van een mestwagen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
vlaak , vlaakĕn , vlechtwerk van twijg, gebruikt als brug over een sloot. Tegenwoordig maakt men meest planken bruggen.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
vlaak , vlaeken , het , (N:Zuidwest-Drenthe) = hulpbruggetje
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
vlaak , vlaok , de , vlaoken , 1. scherm als beschutting bij het eten op het land tijdens het aardappelrooien (Midden-Drenthe) Wij moet de vlaok niet vergeten (Gas) 2. scherm van gevlochten rijs of stro om over een sloot als brug te dienen (dva), z. ook bij vlaak
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
vlaak , vlake , de , vlaken , (Zuidwest-Drenthe, zuid) = watertor Ie kunden de vlaken ien het heldere water zien zwemmen (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal