elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vlierbos

vlierbos , vlèrbos , vlierstruik, Sambucus nigra. Gron. fledderbos, Oostfr. fledderbôm, HD. Flieder, AS. flaethro. (Kil. vlier, Sax. flederbom.)
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
vlierbos , fledderbōs , zie: fledder.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
vlierbos , vleerbos , vlierstruik.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
vlierbos , vlearbuske , zelfstandig naamwoord , vlierbomen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
vlierbos , vleerbos , de , vlierbos Bai het stookhut bluide de vledderbos (Row), De katten zit onder de vleerbos te jauweln (Bco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
vlierbos , vleerbos , (Gunninks woordenlijst van 1908) vlierstruik
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
vlierbos , flierbôs , vlierstruik
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal