elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: volk

volk , volk , lieden van hun of eens anders, doch alle naaste bloedverwanten, gezin. , Ons volk is gezond. Doe uw volk de groeten. Ook gebruikt men het woord om leden van dezelfde familie aan te duiden. Bijv. Van hun of dat volk wonen er velen ver van hier.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
volk , volk , krijgsvolk. , Met de revolutie lag hier lang veel - . Er komt morgente Eindhoven. H. is er ingevallen (ongunstig nummer getrokken) en moet onder het Volk.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
volk , volk , familie.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
volk , volk ,  good volk , huisgezin, nabestaanden, familie ook Oostfr.; Gron.: onze volk = de ouders, ook: de huisgenooten; NHoll. vollik = familie. Voor: ʼt werkvolk: volk ʼt is beddegaonstied! o volk wat heb ik ʼn pien! laot we ies uutkieken, volk. In Gron. Geld. ZHoll. ook voor: dienstboden bij een boer; ʼt volk komt nooit boven = de dienstboden komen nooit in de kamer van den boer en zijn huisgezin; bie ʼt volk eten = met de dienstboden en daglooners aan dezelfde tafel eten. – Ook = krijgsvolk; onder ʼt volk = in krijgsdienst; “Gerriet Staoveng was doe wèr hen bij ʼt volk.” Wanneer er over deze of gene familieleden gesproken wordt, die het ver in den boerenstand gebracht hebben of zich door verstand en doorzicht onderscheiden hoort men dikwijls in vromen eenvoud zeggen: hm! ʼt is er ook een van ʼt volk! d.i. eene van hen die heksen kunnen. Dr. Mosaïk 1 St. p. 18. (zie: heksenfamilie.) – volk hebben= bezoek hebben, ook Gron. – Met den naam er bij: Jan Meeuwes volk = Jan Meeuwes en zijne vrouw, ook Gron. – volk van ʼt leverij zijn zij, die er equipage op houden met een knecht in livrei. – Het woord is ook van bijen gebruikelijk: de körven hebt veel volk verlören = er zijn vele bijen gestorven of omgekomen, bv. door harden wind; die bij hef te min volk = in dien korf zijn geen bijen genoeg. good volk = zooveel als: familie die ter goeder naam en faam staat. In Gron. is het antwoord op de vraag: wie is daar? wanneer iemand bij donkeren een bezoek aflegt: goud volk!
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
volk , vòlk , (onzijdig) , vö̀lker , volk; in enkelv. familie: onze vòlk, onze vòlkshûs, het ouderlijk huis.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
volk , volk , bezoek; wie hebben volk = er is bezoek, of visite; d’r komt volk = wie kriegen volk = wij zijn bezoek wachtende; ook Drentsch Ook = de dienstboden van een’ boer; achter bie ’t volk = in het gedeelte van het huis waar deze hun verblijf hebben; bie ’t volk eten = met de dienstboden en arbaiders aan tafel eten; ook Geldersch, Zuid-Hollandsch – In de Ommelanden bij ’t aanspreken van een troep menschen, arbeiders, werkvolk, zoo vrouwen als mannen: Kom volk! wat dunkt joe d’r van volk? of in een gezelschap: wie mouten noa hoes, volk! wie mouten eten, volk! ook Drentsch. – Voor: de ouders; onze volk bin d’r opoet = vader en moeder zijn op visite. Zegt een knecht (of meid) onze volk, dan bedoelt hij daarmede ook de kinderen; (Drentsch volk = huisgezin, familie); zoo: Geert Bakkers volk = het huisgezin van Geert Bakker; doomnies volk, meesters volk, enz. (Noord-Hollandsch vollik = familie). – Voor de toonbank: volk! niet alleen: er is volk! maar ook: er moet iemand komen om mij te helpen; Friesch vollek, of volluk, met sterken nadruk op de laatste lettergreep Spreekwoord: Hou loater op de oavend hou mooier volk (of: ); een kompliment dat men laat in den avond niet verwacht gezelschap maakt; ook aldus in Oostfriesch, Holsteinsch; te Meiderich: Wu later upp’n Dag, wu netter Volk. Onsvolk, onze volk = on volk (Westerkwartier), voor: mijne, of: onze ouders, onze volks hoes = mijn ouders huis; onze volk bin dʼr opoet = zij zijn op visite, Geldersch onze volk = de huisgenooten;
de gezamenlijke bijen in een korf; ook: Drentsch: mit dei harde wind hebben ze veul volk verloren; dei körf het gijn volk genōg.
volktje, eenigszins minachtend; ’t is mie ’n volktje! = ’t zijn gemeene of ook: wonderlijke menschen, enz. Ook voor: kinderen, bij v. Dale; klein volk.
volk!? wordt voor de toonbank geroepen als er niemand ter bediening aanwezig is.
gepoard volk, arbeiders die wel gezamenlijk, doch paarsgewijs zeker werk moeten verrichten, bv. bij het werken eener dorschmachine.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
volk , vòlk , (onzijdig) , Een meid of knecht bestempelt (vooral in de omstreken) met dien naam zoowel haar eigen familie als de familie bij wie ze in dienst is. Margen gao ʼk nao mîn vòlk (naar huis). Mîn vòlk is ü̂̂t de stad en nu gao ʼk met kò(s)tgeld. Ook soldaten: Mîn zö̀nne is onder ʼt vòlk.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
volk , volk* , zie ook onze volk * [bl. 550]; onder aigen volk [onder ʼnkander] wezen = zonder gezelschap van vreemden, in den huiselijken kring [“en famille”] bijeen zijn; vergel. zuls *, ook de aanteekening; volk! als uitroep, vergel. van Dale. Vgl. onsvolk * [bl. 304.]
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
volk , volk , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Zie de wdbb. || We wiere in’ekwartierd bij ’en oud span volk (paar mensen) van hennebij (omtrent) de tsestig. – Zegsw. Weinig volk, lekker teren, gezegd als er bij een feestje enz. minder mensen komen dan waarop men had gerekend, zodat er ruimschoots te eten en te drinken is. – Ook: Bezoek, mensen. || Krijg-je vanavend nog volk? Vgl. nachtvolk. – Ook: familie, inzonderheid huisgenoten, huisgezin. || Hij is nog van me volk. – Ja, ik ben allienig thuis: me volk is allemaal uit. Hoe gaat ’et mit je volk (of volkie)? Ze hewwe ’evochten op de kerremis, maar mijn volk heb er niet bij ’eweest. Had maar u Volk (uw man en kinderen) wat deegs, daar voor scheen al u te vreezen, SCHAAP, Bloemt. (ed. 1724), 349. A° 1692 Den 3 Juny is hier begraven Gerrit Jacobs, out sijnde 63 jaren, 6 mannelijk, 15 dagen. Met sijn volck, grafschrift in de Koger kerk. Ick was (met dooiweer op schaatsen) in compaghnij ... naae Waaterlant, soodat mij(n) volck al vor mij sorghde (bezorgd over mij was), Journ. Caeskoper, 7 Febr. 1669. Een stucke landts ... belendt ... Jan Gaelen volck ende Cornelis Pieters volk aent zuytoost endt, Hs. U. 19, f° 115 r° (Assendelft, a° 1580), prov. archief. – Evenzo in geheel N.-Holl. (Taalgids 1, 303) en hier en daar elders, b.v. te Noordwijk aan Zee (Sch. t. W. 1, 258).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
volk , volk , huisgenooten, V, 77.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
volk , vòlk , (onzijdig) , Een meid of knecht bestempelt (vooral in de omstreken) met dien naam zoowel haar eigen familie als de familie bij wie ze in dienst is. Margen gao ʼk nao mîn vòlk (naar huis). Mîn vòlk is ü̂t de stad en nu gao ʼk met kostgeld. Ook: soldaten: Mîn zö̀nne is onder ʼt volk.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
volk , vòllek , (volk). Roep van iemand, die een winkel binnenkomt, waar niemand aanwezig is.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
volk , volk , onzijdig , Oonze volk: huisgenoten; oonder ’t volk: onder dienst; volk hebben: bezoek hebben.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
volk , volk , zelfstandig naamwoord, onzijdig , mensen. Oonze volk, ons ouderlijk huis, de leden van mijn gezin of ’t gezin waar ik toe hoor; kùjr volk, praatvisite; oondr t volk, in militaire dienst
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
volk , volk , Goej volk! De roep als je bij iemand achterom binnen kwam; Wá’n volk! gezegde als men mensen van laag allooi bedoeld; volk verwâchte bezoek verwachten; verwâchte nog volk? gezegde tegen iemand die de gulp open heeft; vrémd v
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
volk , volk , 1. volk. 2. dienstvolk 3. ouders
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
volk , folluk , volk. Riep men aan de achterdeur van de huizen als de bel ontbrak. Er is volk aan de deur.
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
volk , volk , zelfstandig naamwoord ’t , Ook: 1. Huisgenoten, familie. | Doen je volk de groete. Hai is nag volk van m’n. 2. Personeel. | Hai ken gien volk kroige. 3. Visite, bezoek. | We kroige volk veneivend. Zegswijze ’n beetje volk, ’n lekker leven, gezegd als een smakelijk gerecht met slechts weinigen gedeeld hoeft te worden. – Deer is volk thuis, daar weten ze hun weetje, daar laten ze niet met zich sollen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
volk , voalk , soldoate.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
volk , volk , zelfstandig naamwoord , volk, arbeidskracht. 1.’t Is teejgeswòrrig moejlek òm on volk te kòòme (werkvolk). 2. D’r waar ’n maacht volk. ’t Was er erg druk. 3. Biks volk is goej volk, mar rauw as ze zèn! Beekse mensen zijn goeie mensen, maar ... 4. Toen er nog geen deurbellen waren riep men bij het binnenkomen: Vollek! 5. We krèège volk. We krijgen bezoek.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
volk , volluk , 1. visite. 2. volk. 3. uitroep waarmee men zich aan de deur meldt bij gebrek aan een huisbel.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
volk , volk , 1. visite; 2. volk.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
volk , volk , het , volken , 1. volk Al dat volk op de brulfte was toch wel een hele drokkigheid (Die), Het volk giet hen hoes (Wes), Wil ie misschien even wat volk opkommederen? (Ruw), Der komt veul volk an het loket (Ass), Met dat volk wollen ze niks met neudig hebben niets mee te maken hebben (Eel), In die winkel ziej haoste nooit gien volk klandizie (Ker), (...) was het een hiel wark en mus ie het an ’t volk hebben volk, personeel genoeg hebben (Koe) 2. huisgenoten Oes volk bint er niet de grote kinderen (Sle), Oonze volk, wij gaot hen bedde het hele gezin (Die), Det meens is zoe ziek, het volkien in huus kan heur niet meer hanteren (Bro), Hum, het is er een van het volk uit een geslacht dat kan heksen (wp), Hoe hef ’t nog met het volkie? gaat het met de hele familie (Wes), Hej ’t er met je volk over had? (Emm), Wij gaot hen oes volk naar het huis van de ouders (Oos) 3. ouders Mien volk woonde eerder op het hoge en later in het lege (Bco), Hie huf zien volk niet eerst te vraogen of het wel mag (Eex) 4. bezoek Wai kriegen volk bezoek (Row), Tiedens middageten begèer ik gien volk wil ik geen bezoek (Emm), (fig.) Die zöt gauw volk in de meuit gezegd van een vrouw, die gauw een baby verwacht (Rol) 5. bijenvolk De körven hebt veul volk verloren er zijn veel bijen gestorven (dva), Hij har nog wat volken in de polder (Bov) *Wat is het mooi weer en wat gait het te keer en wat hebt ze bie os volk mooi mous (Bov), of Wat is het maal weer, het regent keer op keer en wat hebben ous volk mooi mous (Twe); Woor volk is, is een hering te verkopen, zee de visboer en hij scheuf zien karre de karke in (Bco); Ik zal je priezen in alle kerken, waor gien volk in is nergens (Eri); Ons kent ons en Job kent zien volk ieder kent ieder (Mep)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
volk , volk , Met ons volk bedoelt men zijn huisgenoten of, wanneer men buiten het ouderlijk huis woont, zijn daar nog wonende ouders, broers en zusters.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
volk , volluk , uitroep bij het binnenkomen van een huis, waar men niemand ziet.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
volk , vòlk , 1. volk; 2. leden van het gezin, familie, bijv. in: mien vòlk; 3. roep of iemand aanwezig is (bijv. in een winkel)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
volk , volk , familie, ouders. Ik gao vanaomd naor mien volk.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
volk , vollek , is daar iemand?
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
volk , vollek , mensen, volk , Ur was veul vollek óp de begrôffenes van dieje mèns, héij hôj zeeker veul ônhang? Er waren veel mensen op de begrafenis van die man, hij had zeker veel vrienden?
Was’ter druk? dé wél dé, veul vollek mér wénneg mènse. Was het er druk? dat wel dat, veel volk maar weinig mensen. Het was er druk, dat wel, veel mensen maar weinig kopers.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
volk , volk , zelfstandig naamwoord , et 1. volk 2. mensen, bep. slag mensen enz., bijv. volk van niks schorremorrie, hoog volk voorname mensen 3. bezoekers, publiek 4. klanten in een winkel 5. iemands ouders, bijv. Oonze volk hebben et vaeke verteld 6. familie, de gezamenlijke huisgenoten, huishouding; oonze volk: de ouders, broers en zusters van het desbetreffende gezin 7. personeel, bijv. Hi’j het een protte volk an ’t wark 8. bijenvolk; volkien, et 1. slag mensen 2. de mensen, groep mensen, bijv. Wat moet dat volkien hier wat moeten jullie hier
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
volk , vollek , zelfstandig naamwoord , volleke , vollekie , 1. roep (aan de open deur) 2. visite ’k Mô gauw nae huis want ik krijg temee vollek Ik moet gauw naar huis want ik krijg straks visite; aaige vollek eigen personeel Hij kennet zôô goekôôp doen omdattie med aaigevollek werrekt Hij kan het zo goedkoop doen omdat hij met eigen personeel werkt
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
volk , volk , (zelfstandig naamwoord) , völkien , volk, mensen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
volk , volk , 1. aantal mensen, maar soms ook één; vollek!, uitroep die men gebruikt wanneer men via achterdeur of zijdeur, dus zonder aan te bellen, andermans woning betreedt; 2. bijenzwerm; 3. visite; 4. dienstpersoneel; 5. de ouders; volk in het veurhuus hebben, in verwachting zijn.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
volk , vòlk , zelfstandig naamwoord , volk; Cees Robben - ons Sieleke heeget himmol nie op mansvolk begreepe; Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - 'Daor et vòlk is, is de neering' zi de mòsselenboer, èn hij reej mee zene kreugel de kèèrk in (Pierre van Beek - TT '64); Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - geduureg vòlk ónder de schòlk hèbbe (R'75) - steeds in verwachting zijn. Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - goej vòlk, goej zatlappe (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1968) - verontschuldiging voor mensen die veel drinken maar voor niemand onaangenaam zijn; Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - hoe meer vòlk veur, hoe minder dèt ópschiet (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1971) - gezegd m.b.t. een mis met drie heren; Frans Verbunt (1996) - hoe laoter óp den aovend, hoe schónder volk; Goem. VOLK - volek znw.o.: er is veel - op de markt; bij groot - dienen; ik heb vandaag - (= bezoek) thuis; het kleine – (= kinderen); C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - VOLK v l) - mensen: er was veul volk; 2) - slag van mensen, soort: goej volk, mèr rouw; 3) - bezoek: we hebbe volk; roep bij de deur: volluk; 4) familie: ons volk = onze familieleden (alleen voor aangetrouwde familie?); 5) personeel: we moete volk hebben; 6) als achtervoegsel: manvolk, vrouwvolk. Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - 'volk' zn - volk, arbeidskracht; WNT VOLK 3) e) - Uitroep om aan te duiden dat men iemands woning of winkel is binnengekomen en gehoor verlangt.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal