elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: voordeel

voordeel , vörl , voor: voordeel; iemand ’n vörl ofzijn = hem te gauw af zijn, iets op hem winnen door gauwheid of slimheid, hem eene vlieg afvangen; ook wel: onverwacht eene poets spelen (Ommelanden) = ijne ’n fiet ofzain (Oldampt); (fieten oetrichten = Friesch fiten utrjochtje.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
voordeel , veurdeel , voordeel.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
voordeel  , veurdeel , voordeel.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
voordeel , veurdeel , voordeel.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
voordeel , veurdeel , de , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = voorste deel van de schuurdeel Aj een grote dèle hadden, dan kun ie een veurdèle en een achterdèle hebben (Hol), De veurdèle is het stok achter de middendeure (Bro), ...zit an de middenmure (Dwi), De veurdeel grensde an het keukenèende (Sle), De fietsen of het vaor heui staot op de veurdèle (Ruw), De veurdele is de deel veur de heuivakken (Nije)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
voordeel , veurdiel , het , Var. als bij diel I = voordeel Daor muj mooi mit praoten, want daor kunj nog wel ies veurdeel van hebben (Pes), Ik wil er echt gien veurdiel van hebben (Exl), Het is een veurdeil dat ik wat langer bun; zo kan ik der beter bie (Bco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
voordeel , veurdeel , voordeel , voordeel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
voordeel , veurdele , zelfstandig naamwoord , de; voorste dele (in een schuur)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
voordeel , veurdiel , veurdeel , zelfstandig naamwoord , et; voordeel, profijt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
voordeel , veurdeel , (zelfstandig naamwoord) , voordeel.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
voordeel , vurdeel , voordeel
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
voordeel , vuuerdeil , (onzijdig) , voordeel
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
voordeel , vurdêel , vordil , zelfstandig naamwoord , vordiltje , voordeel; Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'vurdeel - naodeel'; WBD III.3.1:132 'voordeel','opbrengst, winst- = winst; WBD III.3.1:133 -voordeeltje -,'meeval,meevaller,bof,tref' = meevaller; GD08 den aawerdom komt teegesworreg meej enen hillen hôop vurdeele; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VEURDEEL znw.o. - op veurdeel - op voorhand, fr. d'avance; vordil - voordeel; Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - vórdiltje
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal