elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: voordeur

voordeur , véúrdeurĕ , voordeur.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
voordeur  , veurdeur , voordeur.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
voordeur , vördeur , v , voordeur.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
voordeur , voordeur , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze hai is deer deur de voordeur inkommen, hij is daar met open armen ontvangen, heeft daar een wit voetje.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
voordeur , veurdeure , voordeur.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
voordeur , veurdeur , de , voordeur Aj bij heur de veurdeure lös doen, staoj mitienen in huus in de kamer (Mep), Hij gung de veurdeure in en de achterdeure weer oet (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
voordeur , veurdeure , voordeur
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
voordeur , veurdeure , voordeur.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
voordeur , vurdéúr , voordeur , És ik èùw nie hôj én de vurdéúr, dan moes ik aalté aachterum binne. Als ik jou niet had en de voordeur, dan moest ik altijd achterom binnen. Goed dat je het zegt, daar had ik zelf niet aan gedacht.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
voordeur , vedeure , bijwoord , voor de deur, vaak ruimer: buiten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
voordeur , veurdeure , zelfstandig naamwoord , de; voordeur
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
voordeur , veurdeure , (zelfstandig naamwoord) , voordeur. Zie ook: uusdeure.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
voordeur , vurdeur , voordeur
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
voordeur , veurdeur , veurdeure , 1. voordeur (algemeen); 2. voordeur in een boerderij, die alleen opengaat bij een bruiloft en een begrafenis (trouwen en rouwen).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
voordeur , [voordeur ] , vuuerduuer , (vrouwelijk) , voordeur
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
voordeur , vurdeur , zelfstandig naamwoord , voordeur; Henk van Rijen - 'vudeur, vustedeur'; R Tegen iemand die zich als onmisbaar voordoet: 'As ik jou nie had en de vurdeur nie, dan moes ik aaltij aachteróm. Henk van Rijen - hij gong du de vudeur deur; CiT (94) 'Hij ging du de vuddeur deur'; Hees vurdeur (VIII:25)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal