elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: voorspooksel

voorspooksel , veurspouksel , (Goorecht) = voorspook, voorteeken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
voorspooksel , [voorteken] , véurspooksĕl , voorteeken.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
voorspooksel , vüürspouksel , onzijdig , voorteken
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
voorspooksel , vuurspooksl , zelfstandig naamwoord, onzijdig , vuurspooksls , 1 droomgezicht, 2 dreigend voorteken
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
voorspooksel , veurspooksels , voortekenen voor onheil of slecht weer.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
voorspooksel , veurspoeksel , het , veurspoeksels , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe) = voorspooksel, voorgezicht Hij hef er al een veurspoeksel van eziene (Koe), z. ook veurloop
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
voorspooksel , veurspoeksel , veurspooksel , voorverschijning, voorteken in het volksgeloof.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal