elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vuil

vuil , voel , (onzijdig) , nageboorte der koe.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
vuil , voel , foel , slim, doortrapt. L. F. fuwl, tuk op winst. It byt fuwl, het vreet geweldig in, b. v. vitriool. De betrekking tusschen vuil en doortrapt is dezelfde als in snood, leep, enz. Zie leep.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
vuil , vuil , valsch, b.v. hij speelt vuil.
Bron: Bisschop, W. (1862), ‘Het Dordsche taaleigen. Bijdrage tot de kennis der Hollandsche dialekten’, in: De Taalgids 4, 27-48.
vuil , voel , slim, in meer dan ééne beteekenis: men zegt van een kind, dat vlug is en gaauw leeren kan: ’t is een voel aôs! Van iemand, die de gelegenheid om zich te bevoordelen, altijd weet waar te nemen en niet altijd te vertrouwen is: ’t is nen voelen kerl. Ook hoorde ik eens zeggen: een voelen zet! voor een slag die zwaar te dragen was.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
vuil , voel , vuul  , 1. (= vuil), in: hij keek zoo voel as ʼn oortiek = hij keek geducht zwart. 2. baatzuchtig, geldzuchtig. 3. ijverig, bv. van een predikant: voel op ʼt leeren wezen = ijverig in zijn dienstwerk zijn. Gron. voel, vuul = loos, slim, afgericht, bv. om geld te verdienen; in ʼt Westerkw.vuul = arbeidzaam en zuinig; in de Marne: ʼn voele arbaider = een daglooner die flink werken kan 4. vuul = vuil; iemand vuul schouwen = iemand mistrouwen, het niet op hem hebben. Van het schouwen, onderzoeken van eieren ontleend.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
vuil , vü̂̂l , vûl , (bijvoeglijk naamwoord) , smerig, vuil: en vûl ei.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
vuil , vûl , (bijvoeglijk naamwoord) , slim.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
vuil , voel , (= vuil) = bedorven, stinkend; ʼn voel ai, Westerkwartier vuul ei (vuil ei) = bedorven ei; voel vlijs, Nederlandsch vuil vleesch, van eene wonde.
(Westerkwartier) voel, vuul, voor: loos, slim, listig, afgericht; hijʼs tʼr voel op, bv. om geld te verdienen, met name in den kleinhandel. (Swaagm.: voel = verstandig, schrander, listig, doortrapt.) Ook = arbeidzaam en zuinig tevens; ʼn voele arbaider (Marne) = ʼn vule arbeider (Westerkwartier) = een daglooner die flink werken kan en daarbij oppassend is; “Hilje dei zoo glenne voel noa geld is, dei wel ʼn pōd villen wil om ʼn oortje”, enz. Schertsend hoort men ook voor: flink, knap, bv.: bist ʼn voele scheuvellooper = lopst ʼn voele scheuvel, zooveel als: gij zijt alles behalve een goed schaatsenrijder. – Drentsch voel = ijverig; ook = baatzuchtig; Geldersch voel = slim; ook: vuul = wat mans. Vgl. beuze.
voele in: hij lopt ʼn voele scheuvel = spottend voor: hij is een slechte schaatsenrijder, met de toevoeging: mit de neb in de strōnt; voele inhoaler (Woltersum, enz.) = iemand die geducht eten kan.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
vuil , vuul , vuil , Op de grenzen van Friesland beteekent: ’n vule kerel zooveel als: een zeer oppassend man. Bij Laurm.: vuil = arbeidzaam, vlijtig, als in Friesland. – Zie: voel.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
vuil , vul , Vuil. îmand vul schouwen – niet voor eerlijk houden, voor schurftig houden. Nu kümp eindelek den aap ü̂̂t de mouwe; maor ik had ʼm al lange vul eschouwd. Iemand vul op ʼt buis wèzen – een hekel aan hem hebben, wrok tegen hem koesteren. Vgl. grö̂n. ʼn Vule ròtte. Een slim klein meisje, een bijdehandje. ʼn Vule stinkert. ʼn Slimme vogel.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
vuil , vuil , (bijvoeglijk naamwoord) , Zie de wdbb. – Ook: kwaadaardig, nijdig, bijtend, vooral van personen in hun spreken. || Je benne ’en vuile zegger (als iemand een harde waarheid zegt). Zo’n vuile schoolmeester (die er maar alles uitflapt). – Evenzo elders in N.-Holl. (ook in de afleiding vuilendig; BOUMAN 113); in het Stad-Fri. fuul, boos, kwaad (WINKLER, Dialecticon 2, 25).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
vuil , voel* , vergel.: vuul ; bij ʼt Geldersch (bl. 575) ook: en voel oas van un keerl = een schrandere bol.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
vuil , vuul* , vergel. beuze *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
vuil , voel , nageboorte van een dier.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
vuil , vul , Vuil. Îmand vul schouwen – niet voor eerlijk houden, voor schurftig houden. Nu kümp eindelek den aap ü̂t de mouwe; maor ik had ʼm al lange vul eschouwd. Iemand vul op ʼt buis wèzen – een hekel aan hem hebben, wrok tegen hem koesteren. Verg.: grö̂n. ʼn Vule ròtte. Een slim klein meisje, een bijdehandje. ʼn Vule stinkert. Een slimme vogel.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
vuil  , voel , vuil. Hae is voel, hij staat onder verdacht. Voel spek en garste bôtter, ze zijn beiden niet veel bijzonders. Ein voel maag hebbe, de maag is van streek. Veur ald voel laote zitte, hij is het vijfde rad aan den wagen. Voel make, vuilmaken.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
vuil , vůůl , vuil, slim. Het is ’n vůůl: het is een slimme
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
vuil , voel , bijvoeglijk naamwoord , 1 bedorven, van ei, 2 geraffineerd, van meisje. Nen voeln, een gehaaide; wee’t kuurboom zoch, voelboom koch, wie alleen ’t beste wil hebben, krijgt ten slotte wat minderwaardigs
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
vuil , vule , schuine, vunzige vule praot vunzige praat.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
vuil , voel , 1. vuil. 2. bedorven, vooral gezegd van eieren
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
vuil , vuil , bijvoeglijk naamwoord en bijwoord , in de zegswijze vuil koike, kwaadaardig, gemeen kijken. – ’n Vuile zègger, iemand die het (te) boud zegt.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
vuil , vuil , zelfstandig naamwoord ’t , Ook: onkruid. Meervoud vuile. Grote exemplaren onkruid. | D’r stane puur zukke vuile in de wortele. Verkleinvorm vuiltje. Ook: (klein)onkruid. Meervoud vuiltjes. | D’r staat hier en deer nag wel ’n vuiltje. Vgl. kwaadjes.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
vuil , voêl , rot (en voël ei: en rot ei).
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
vuil , vuil , voil , bijvoeglijk naamwoord , (KRS: Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), voil (LPW: Bens, Lop) 1. vals (van een hond gezegd) (KRS: Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Bens, Lop, Cab, Pols) Ook in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden (Berns 1991, p. 151). 2. (zn) onkruid (vaak onkruid dat in de sloot groeit) (KRS: Coth, Werk, Bunn, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Zie Taalatlas kaart 119 (onkruid): vuil komt op een aantal plaatsen in de Lopikerwaard voor. Ook in het noordwesten van de provincie Utrecht; het is in vergelijking met de andere Utrechtse vorm, *ruig , vooral een westelijke aangelegenheid, met ook een ruime verspreiding in de beide Hollanden. Zie hoofdstuk 4, punt 12: onkruid . 3. (bn) boos (KRS: Lang, Coth, Werk, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols)
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
vuil , voel , nageboorte bij een dier.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
vuil , voel , 1. bebroed, b.v.: ’n voel ei = een bebroed ei. 2. gemeen.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
vuil , voel , nageboorte van een dier.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
vuil , voel , 1. ’n voel ei: een bedorven ei; 2. gemeen, vuil.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
vuil , voel , vuul, vuil , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , Ook vuul (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied), vuil (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) = 1. vuil, smerig Het laoken was voel (Ros), Dat doekien is zo voel as wat (Zwe), Dat kind hef zuk voel maakt (Wee), Dat is voel wark (Klv), Blieft er of mit oen voele jatten (Hol), De locht is voel (Hgv), Hij hef een kleur as een voel hemd (And), (fig.) Zij hef het nust voel moet trouwen (Ruw), De voele was moej niet boeten hangen (Gas), Der zit een voel haortien in hij is onbetrouwbaar (N), Hij wol der gien woorden mèer over voel maken (Emm) 2. bedorven Dat is een voel ei. Gooi maor weg. Daor is al een dag of wat op bröd (Vri), Der mot een pleister op, aans komt er voel vleis in ontstoken vlees (Exl) 3. gierig en hebzuchtig, eigenbatig (N, dva) 4. gemeen Hij keek hum zo voel an (Nam), Hij is er op een voele manier ankommen (Hijk), Wat een voel kereltie! (Ker), Hij hef van die voele streken (Rui), Het is een vuile mieter (Mep), ...vuile rakkerd (Hijk), z. ook voele 5. kwaad Ik bun ok altied het kwaoie, ...voele beist de kwaaie pier (Bco), Dat is een voel biest, met denne muj niet tevöl te maken kriegen slecht persoon (Pdh) 6. ijverig, van een predikant Voel op het leren ijverig in zijn dienstwerk (dva) 7. scherp en zwaar (ndva) ‘Met voele bek en voel warken wil de Xsche boer niet anders zeggen dan scherpe bek en zwaar werken. Voele taal alleen is vuile taal’
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
vuil , voel , het , 1. vuil, smeer Het voel wol der niet meer of, zo stief zat het er op vaste (Bov), Die fietse geeit mit het grof voel mit (Die), (fig.) Het aold voel zit er zo diep oud zeer (Wee), Veur old voel laoten liggen is: niks an gelegen laoten liggen (Hol), Hai heurt bai het aold voel smalend gezegd van oude mensen (Rod) 2. nageboorte De kouwe bleef mit het voel staon (Bco), De hamel mus hoog in de boom, maor de voelen kwamen op de mestbult (Pdh), Hij stinkt as een aorbeer, die met het voel staon bleven is (Row), De voelen bint er nog niet of het werpen bij het varken is nog niet voorbij (Sle), z. ook voelegien, körtvoel, nèze 3. ondeugend persoon (Zuidoost-Drents zandgebied) Een voel van een jong (Emm) 4. in old voel door ervaring bekwaam in gemene streken (N:Zuidwest-Drenthe), of old voel verstandige handelingen uit ouderdom voortgesproten (be)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
vuil , foel , (Kampereiland) slim
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
vuil , voel , zelfstandig naamwoord , 1. smerigheid, vuiligheid. Döör lag ie veur òld voel ‘daar lag hij, helemaal uitgeteld’, Gunninks woordenlijst van 1908: veur òld voel laoten liggen ‘zich niet bekommeren om’; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: nageboorte van een koe
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
vuil , voel , bijvoeglijk naamwoord , 1. smerig, vuil. Een voel ei ‘een bedorven ei’; 2. gemeen, kwaad (Kampen, Kamperveen). IJ skouwen zichzelf al voel ‘hij voelde zelf al dat hij fout was’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
vuil , voel , vuul , vuil. Wat mâk dat kiend zich toch vuul.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
vuil , voel , vuul , nageboorte van een koe. ’t Vuul is er nog niet of.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
vuil , vûil , vieze , Ik héb vûil hand héd'de nie 'n vödje ligge, anders maok ik alles smérreg. Ik heb vieze handen heb je niet een lapje liggen, anders maak ik alles vuil.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
vuil , foel , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. vurig gebrand op, fel 2. erg tuk op, gedreven om 3. gezegd van levend vlees onder de huid, nl. dat dus gevoelig is
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
vuil , voel , bijvoeglijk naamwoord , 1. (van eieren) bebroed of bedorven en daardoor niet meer eetbaar 2. loos, ledig, gezegd van noten 3. in ’t voel broekien nat, met slecht gras en veel onkruid: benaming van een stuk broekland onder Aekinge bij Appelsche
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
vuil , voel , zelfstandig naamwoord , et 1. vuilnis, bijv. veur oold voel liggen voor oud vuil 2. zie voelens
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
vuil , vuil , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , vuil, gemeen, bijv. een vuile loebes een zeer gemeen iemand
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
vuil , vuil , uitdrukking , ’t Lôôp as vuil vet Het loopt gesmeerd; Hij ziet ‘r uit as vuil vet Hij ziet er grauw (slecht) uit
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
vuil , voel , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , vuil, smerig. Een voel wief. Die vloere is ärg voel. Voele Gesien en Voele Eppe waren stadsstypen. Zie ook: poesterig, onzelig, smoesterig, podderig, poedelig.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
vuil , vuil , onkruid
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
vuil , vèùl , vuijler, vùlst , 1. vuil, viezigheid; 2. vies, vuil, niet schoon , Dè li dôr mèr vur èèw vèùl. Dat ligt daar maar voor oud vuil., Vèùl hând hébbe. Vieze handen hebben.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
vuil , vuil , 1. geboortevlies; 2. onkruid.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
vuil , vulig , (bijvoeglijk naamwoord) , 1. schrander, intelligent; 2. sluw; 3. (znw.) schrandere, slimme jongen of meisje (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
vuil , vuul , (zelfstandig naamwoord) , 1. geboortevlies; 2. onkruid; 3. boosheid, irritatie; 4. vuilstort; (bnw.) 5. boos, kwaad; 6. schrander, intelligent; 7. listig, doortrapt; 8. vuil; 9. onbebroed; 10. besmettelijk.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
vuil , voel , voel(d)er, voelst , 1. vuil, rot 2. lelijk 3. vuil 4. lui , Eine voelen aerpel stiktj de ganse houp aan. Ein voel boean bedurftj de hieële koffie. Emes vuuer voele vès oetmake.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
vuil , vuil , ja, op je vuil ôôg!, op je vuile hôôf! bekijk ’t maar! (vuil oog is aarsopening)
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.
vuil , vèùl , bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord , vèùl - völder - völst , "vuil, vies; gierig; huisvuil; Vèùl wèèrk wòrdt slèècht betòld. - Vuil werk wordt slecht betaald. MP gez. Tis vèùl, zi den èùl, èn hij bekeek zen jong. WBD vuil, vèùl - nageboorte van de koe; kalfsvlies; WBD (Hasselt) nageboorte van een varken; WBD vèùl aaj - bebroed bevrucht ei (van een kip); Frans Verbunt (1996) - veul laojde óp en kèèr; Cees Robben – Die blèèft den hille aovend mar in z’n vuil zitte... (19641023); gez. Pierre van Beek - Hij heej hil wè waoter vèùlgemòkt. - hij heeft in zijn leven 'de zaak; aardig versierd'. (Tilburgse Taaklplastiek 153); Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - et vèùl gao vur den bissem (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1965) - humoristische opmerking als men iemand voor laat gaan; A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ; bijvoeglijk naamwoord  en bijw. – vuil: 1) onrein, morsig; 2) gierig, vrekkig. zelfstandig naamwoord – vuil: l) nageboorte bij het vee; 2) onkruid; Henk van Rijen - den dieje is te vööl om wè wèg te geeve - ... te gierig om ... Henk van Rijen - vööl plöddeke - geniepig (vies) vrouwspersoon; Henk van Rijen - vööle peer - gierig iemand; Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - 'de vùil vèèf' - bep. werkmanshuisjes; De Wijs – menne verloofde blèft den hille aovond in z’n vuil zitte (17-08-1964); De Wijs – “Mar boer, wè hedde toch schôôn dochters.” - “Van m’n kèr aaf meej diejen vuilen praot.” (10-02-1963); Frans Verbunt (1996) - in zen vèùl lôope - zijn werkkleren nog aanhebben; Frans Verbunt (1996) - daor zèèk ene vèùle in - daar ben ik handig in; WBD (III.2.1:317) vèùl - stof; WBD (III.1.2:267) 'vuil' = etter; WBD (III.1.4:442) 'vuil' = onfatsoenlijk’ ook 'vies'; WBD (III.4.4:236) 'vuil' = troebel; WBD (III.4.4:321) 'vuilmaken’,'bevuilen' = idem; gierig; Pierre van Beek – Wanneer iemand ""z'n geld aon z'n hart gewaasen is"" zijn we niet ver meer van de vrek uit de buurt en men kan er vast van op aan, dat zo iemand wel ""'n halfke kan durbèten (doorbijten) al was 't dè-t-ie van awerdom op z'n taandvlees liep"". Men heeft nu eenmaal van die ""vuil meense"" - zelfs in Tilburg. Het woord vuil heeft hier niet de betekenis van smerig maar van gierig. (Tilburgse taalplastiek 7 Nieuwe Tilburgse Courant – zaterdag 18 maart 1950); völder - vergrotende trap vuiler; Dirk Boutkan (1996) - vèùler (het achtervoegsel (= suffix) -der treedt op na -r en -n); – comp. van 'vèùl', met epenth. d en vocaalkrimping"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
vuil , in je vuil schieten , gaan slapen
Bron: Oudenaarden, Jan (2015), Wat zeggie? Azzie val dan leggie! Aspecten van het dialect van Rotterdam, Rotterdam.
vuil , voeël , vuil (bw)
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal