elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: wacht

wacht , wacht , de wacht aanzeggen = waarschuwen.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
wacht , wacht , (vrouwelijk) , waakzaamheid; de wacht anzeggen, waarschuwen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
wacht , wacht , in: iemand de wacht anzeggen = onder bedreigingen hem aan zijn’ plicht, of: aan zijne taak herinneren; ook Noord-Brabantsch; ’t in de wacht sleepen = er zich meester van maken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
wacht , wacht , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , vgl. eendewacht en loonwachtje.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
wacht , wagd , wacht , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Vrouwenrok van zware stof (wol, grein, kalamink, damast enz.); behorende bij de oud-Zaanse kleding. Thans met die klederdracht verouderd, maar als historische term nog algemeen bekend. Er worden nog vele wagden bewaard, die soms ook worden gedragen. In de Wormer is het woord als benaming voor de blauw-wollen rokken der boerinnen nog gewoon. – Men zegt ook wel wachten, daar wagd natuurlijk als wacht wordt uitgesproken. Wat de oudste vorm is, blijkt niet. || In de vorige eeuw droegen de vrouwen wagden en kassekienen. Me moeder had ’en wol-op-wollen wagd, maar ze droeg ’et temet nooit. ’k Heb een nuw haaklaif (soort corset) aan met een wachie (wachtje) van men grootmoeder. Deerom stap ik as een haan van een stooter, Sch. t. W. 277. Een boeresarries wagd (zie boeresarries). 1 Kaper, 3 wagden, 1 swart kleedje, Hs. (Wormer, a° 1763), prov. archief. Een swart grofgreyn wacht, een swart heeresaije wacht, Hs. (O.-Zaandam, a° 1669), aldaar. – Het woord wordt natuurlijk ook genoemd door schrijvers die over de Zaanse klederdracht handelen. || Deeze stoffagie (t.w. Chits en Wollen Damast) verkiezen zy tot een besten Bovenrok, dien sommigen een Wacht noemen, BERKHEY, Nat. Hist. 3, 807. Hare zoogenaamde wachten of lange geplooide rokken en casaquintjes worden met japponnen ... en hare kapers met hoedjes van stroo verwisseld, Karaktersch. 303 (a° 1816).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
wacht , wacht , eene dĕ wacht anzeggen, iemand eens flink de waarheid zeggen.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
wacht  , wach , De wach opzegge, de bevelen opgeven.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
wacht , wacht , vrouwelijk , wacht. De wacht ånzäggen: zeggen waar het op staat.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
wacht , wach , de wach anzeg’ng, dreigen, vermanen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
wacht , wâcht , m , wacht Iemes de wâcht ánzégge Iemand de wacht aanzeggen. waarschuwen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
wacht , waacht , zelfstandig naamwoord , wacht. Iemes de waacht onzègge. Iemand dringend waarschuwen. Pas op voor de volgende keer!
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
wacht , wacht , de , 1. wacht Hie mot vannacht de wacht holden bij het peerd (Bor), De soldaot stun op wacht (Eel) 2. in ien de wacht anzeggen een ernstige waarschuwing geven Ie mut det jonk ies èven goed de wacht anzeggen (Koe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
wacht , wáácht , wacht. wáácht ’s èkkes, wacht eens eventjes.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
wacht , wachte , zelfstandig naamwoord , (Gunninks woordenlijst van 1908) wacht
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
wacht , wach , schildwacht.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
wacht , waacht , wacht , zelfstandig naamwoord , de 1. het wacht houden 2. personen die de wacht houden
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
wacht , waacht , wacht
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
wacht , wach , wacht , (vrouwelijk) , wacht , Emes de wach(t) aanzègke.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
wacht , waacht , zelfstandig naamwoord , De Wijs – (gehoord bij ’n cabaretvoorstelling) - “Ons Mie hee me de waacht aongezee dèk nie mog laache en naa laach ik al en er is nog niks te zien.” (15-06-1963); Henk van Rijen - wacht; Henk van Rijen - ‘K-za-m de waacht wèl us ònzègge’; WBD III.1.4:431 ‘de wacht aanzeggen’ = op het hart drukken; Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - waacht zelfstandig naamwoord – wacht; iemes de waacht onzègge.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal