elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: wan

wan , wannen , in: olde wannen, zooveel als: oude versleten manden, korven, bezems, enz.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
wan , [vanwaar] , wann , (bijwoord, vrouwelijk) , vanwaar.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
wan , wanne , (vrouwelijk) , wannen , wan.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
wan , woan , spint; woan in ’t holt = spint aan het hout; de woankant = de kant van een stuk hout waar het spint zit. Zaansch waan = de plek aan eene plank waar de bast nog te zien is; zulk eene plank heet: wanedeel. Oostfriesch wân = wat gebrekkig, slecht, onbruikbaar is, inzonderheid van hout, bv. van een’ boom die scheef getrokken is, uitwassen heeft, enz., wat bij de bewerking wegvalt; ook voor spint (Hoogduitsch Splint) het weeke gedeelte tusschen het harde hout en den bast; wankante, wânkante = het onbruikbaar gedeelte van een’ boom of balk. Volgens ten Doornk. waarschijnlijk één met het Noordfriesch wân, Angel-Saksisch vane, van, Gothisch van = wat ontbreekt, of met het Oud-Hoogduitsche wanî, Engelsch wane = het afnemen, minder worden, de afval. Zie: wan, wanhout, enz. bij v. Dale.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
wan , wan , (bijvoeglijk naamwoord) , Onvolledig, waar iets aan ontbreekt. || Een wanne zak (een zak met zaad enz., waaruit iets genomen is). Wil-je ok ’en glas wijn? ik heb toch nog ’en wanne fles (aangebroken fles) staan. – In het Mnl. en bij 17de-eeuwse schrijvers komt wan voor in de zin van ledig, ijdel (vgl. OUDEMANS 7, 844). Zie verder over het ook elders bekende woord FRANCK 1134 op wan 2.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
wan , wen , (voegwoord) , Wanneer. Bijna verouderd. || Wen komt je zeun weer thuis? – In de algem. taal is het woord nog bij dichters in gebruik.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
wan , woan* , bij v. Dale: wan = holte aan de oppervlakte van het hout, en vandaar: wanhout, wankantig hout = hout dat aan de oppervlakte niet gaaf is.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
wan , wannĕ , (wannĕchien), schelp.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
wan , wånne , vrouwelijk , wan
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
wan , wanne , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , wann , wannken , wan. Iej kùent met de wanne vuur t gat loopm, ’t is ontzettend warm
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
wan , wan , wanne , (ouderwets), stuk gereedschap om met behulp van de wind kaf en koren te scheiden
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
wan , wan , platte, gevlochten korf van stro waarmee men het graan zuivert.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
wan , wan , zelfstandig naamwoord , wan. ’n Wan was een tamelijk primitief hulpmiddel om graan te zuiveren van kaf, stof en andere ongerechtigheden. Hij was gemaakt van wilgentenen. Aan de zijkanten zaten twee handvaten die het schudden vergemakkelijkten. De wan is al heel lang verleden tijd. Zijn opvolger de kafmeule die met de hand gedraaid werd behoort ook tientallen jaren tot de agrarische curiositeiten, die men alleen nog op nostalgische landbouwdagen in werking kan zien. “Wan” is geen dialectwoord. Wèl regionaal gebonden is de uitdrukking: ’n Kònt as ’n wan, voor iemand die van achteren breed gebouwd is.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
wan , wanne , wan (platte mand die door schudden het kaf van het koren scheidt).
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
wan , wanne , platte mand om het kaf van het koren te scheiden.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
wan , wan , wanne, waan, wane , de , wannen , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook wanne (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, veengebieden Oost-Drenthe), waan (Kop van Drenthe), wane (Veenkoloniën) = 1. wan, platte mand om koren te zuiveren Dat zaod mut nog even over de wan (Emm), Even deur de kafmeul doen, dat gunk al veule vlotter dan mit de wanne (Hol), De wan weur schoonmaokt met een hooundervleugel (Eex), Die hef een gat as een wanne groot achterwerk (Wsv) 2. kuipvormige oven, waarin een grote hoeveelheid glas tegelijk in gesmolten kan worden (glasbl., db:Nbui) *Eerder huulden ze aolde wannen op veur het paosvuur en dan zungen ze: Hej nog aolde wannen / Die wij paoschenmaondag branden / Hej nog een bossien stro of riet / Anders wil oes paosvuur niet / Wi’j oes dan niet geven / Zuj niet langer leven / Wi’j oes dan niet doen / Stop wij je in de schörstienkroen (Sle); Knollen kuj in de boek niet holden; eet ie ook een pan vol, schiet ie een wan vol (Odo); Der komp gebrek an de wanne het wordt armoede (Die); Aj ze beide in de wanne gooit, weet ie niet, wie boven komp, want het is een pot nat (Flu); De boekwaite mot zo zaaid worden, dat er zeuven planten onder de wanne kunt (Scho); Van de eerste gruunties kunt de pinken in het veurjaor mit een pette vol toe, en ’s haarfs muut ze een wanne vol hebben, worde vrogger ezegd (Dwij)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
wan , wan , mand om te wannen: het kaf van het koren scheiden.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
wan , wanne , wan
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
wan , wanne , wan (platte mand om ’t kaf uit het koren te halen).
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
wan , wanne , zelfstandig naamwoord , de 1. wan 2. wanmolen 3. grote kookpot 4. zaaikorf
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
wan , wiene , winnie , zelfstandig naamwoord , de; kafmolen, wanmolen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
wan , [achterwerk] , wan , achterwerk
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
wan , wàn , mand
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
wan , wan , (vrouwelijk) , wanne , 1. wan, mand om het kaf van het koren te scheiden 2. dik achterwerk
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal