elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: waren

waren , zich waren , oppassen. Hij heeft zich niet gewaard = hij is niet voorzichtig geweest.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
waren , waoren , beschermen, bewaren, in acht nemen; waor die! = pas op, wees op uwe hoede. Gron. woaren (refl.) = zijne gezondheid ontzien, zich wachten voor koude, voor sommige spijzen, enz.; zien goud woaren = zijne kleeren sparen, er zorg voor dragen; OGron. waren = vrijwaren; Hooft waaren = beschermen; Neders. Holst. waren, Westf. wären, MHD. waren, warn, AS. warian, Eng. to ware = bewaren, behoeden, zich wachten, in acht nemen. Vergel. ʼt MHD. warnen (zich in acht nemen, zich wachten voor), en ʼt HD. warnen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
waren , waren , (zwak werkwoord) , zik waren, zich hoeden.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
waren , woaren , bewaren; zich wachten, zich in acht nemen; zijne kleeren woaren = ze sparen, ontzien, er voorzichtig mee zijn; hij mout hōm (of: zōk) woaren = hij moet zich wachten, inz. voor koude, voor het eten van sommige spijzen, enz.; zij woart heur (of: zōk) lang nijt genōg = neemt zich niet genoeg in acht, spaart zich niet genoeg; woar die! of: woar die weg! (= wiek tie!), eigenlijk zooveel als: bewaar u voor een ongeluk door uit den weg te gaan. Ommel. Landr. waren = vrijwaren; Hooft waeren = beschermen; Drentsch waoren = beschermen, bewaren, in acht nemen; waor dei! = pas op! wees op uwe hoede! Overijselsch waren = hoeden; Geldersch waard u = neem u in acht; Zuid-Hollandsch warje = pas op; Oostfriesch, Nedersaksisch, Holsteinsch, Oldenburgsch waren, Mecklenburgsch wohren, Westfaalsch wären, Friesch wearjen, werjen, Oud-Friesch waria, wara, Noordfriesch ware, wârin, Saterlandsch wârje, Oud-Saksisch warôn, Angel-Saksisch varjan, Oud-Engelsch warien, Engelsch to ware (verouderd), Oud-Hoogduitsch warôn, Middel-Hoogduitsch waren, warn, Hoogduitsch wahren, Oud-Noorsch vara = acht geven op, in acht nemen voor, zich wachten, behoeden, bewaren. (v. Dale: waren (weinig gebruikt) = beschermen. – waren, in ’t Nederlandsch verouderd had vroeger de beteekenis van: in acht nemen, hoeden, verzorgen, waarvan nog ons: bewaren. Zie Gr. Wbk. art. achterwaren.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
waren , waren , Hoeden, wachten. Waardu! – Pas op! of: Uit den weg!
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
waren , waren , (zwak werkwoord, wederkerend) , Zich wachten, zich hoeden, oppassen. In de uitdr. waar je! als waarschuwing. – Zo ook bij oudere schrijvers hem waren; ook in het Mnl. en tegenwoordig nog in dialecten (zie b.v. MOLEMA 477 en GALLÉE 51).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
waren , woaren* , bij v. Dale: waren (weinig gebruikelijk) = beschermen, Hoogduitsch: wahren; het Engelsche to ware is verouderd.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
waren , waarĕn , (reflex); waa(r)toe, pas op, uit den weg.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
waren , waren , Hoeden, wachten. Waardu! Pas op! of: Uit den weg!
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
waren  , waarre , zich hoeden.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
waren , zich waaren , zwak werkwoord , zich hoeden. Waare di, waart ů: pas op!
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
waren , woarn , werkwoord, zwak, wederkerig , oppassen, zich hoeden. Woard oe!, Pas op! Op zij! Uit de weg!; dan mu’j oe wa woarn, dan is het oppassen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
waren , wâre , bewaren Ge mot ow ége mar goêd wâre Je moet goed op jezelf passen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
waren , woaren , zich ergens voor wachten
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
waren , waare , zorg dragen voor, in acht nemen.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
waren , waeren , zich in acht nemen, oppassen voor ....
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
waren , waeren , waeren, ewaerd , in acht nemen, oppassen; * waer oe: pas op!
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
waren , waren , waoren, waeren , zwak werkwoord, wederkerend , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe). Ook waoren (Noord-Drenthe), waeren (Zuidwest-Drenthe, noord) = oppassen, zich hoeden Hij waart zuk liever hij kijkt wel uit (Klv), As hij bezeupen is, waar je dan mar! (Pdh), Dat is een hond, waor ij je veur waoren moet (Eex), Most die goud waoren mit dai wind in acht nemen (Vtm), Waart oe, dat aj an mij koomt pas op (Eli), Ie zult oe wel waeren! wel oppassen dat je dat niet doet (Die) *Dei zuk waart veur meertzunne en aprilwind / blif het ganse joor een mooi kind (Bco), ...een helder kind (Bov); Ie mut oe waren veur fienen en motregen (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
waren , waren , werkwoord , op zijn hoede zijn, voorzichtig zijn. Gunninks woordenlijst van 1908: Wäärt oe! ‘pas op!’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
waren , waern , zich hoeden, oppassen. Haern, daor muj oe veur waern, mâr striekn en wettn, dat kan oe gien boer belettn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
waren , waoren , werkwoord , zich rondwentelen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
waren , waren , waoren , zich waren zich hoeden, zich in acht nemen, ervoor zorgen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal