elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: weduwvrouw

weduwvrouw , weduwvrouw , voor weduwe. De lagere standen zeggen weeuw.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
weduwvrouw , wedevrouw , (vrouwelijk) , weduwe.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
weduwvrouw , wédevrouw , (vrouwelijk) , weduwe.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
weduwvrouw , wedevrau , wedevrou , de daglooner zegt wedewief = weduwe. Spreekwoord: ’t Klijd van ’n wedevrau is lank, elk trapt ’r op = op het gedrag eener weduwe wordt scherp gelet. Noord-Brabantsch weduwvrouw, Oostfriesch wedefrô, Nedersaksisch wedefrouw, witfrouw, Westfaalsch widdefrau. Oostfriesch ’n wêdwe hed’n lank klêd, of: ’n wêdwenklêd is lank, elk tredt d’r up.
onbesturven wedevrau, zie: wedeman.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
weduwvrouw , weedĕvrouw , weduwe.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
weduwvrouw , weddevraue , vrouwelijk , weduwe
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
weduwvrouw , weddevrouwe , zelfstandig naamwoord , weduwe
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
weduwvrouw , wéddevrouw , widdevroûw , v , weduwe.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
weduwvrouw , wedevrouw , weduwe
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
weduwvrouw , weduwvrouw , zelfstandig naamwoord de , Weduwe.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
weduwvrouw , wétvraow , weduwe.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
weduwvrouw , wedevrouw , Weduwe
Bron: Feelders, Paul (1991), ‘Van gistkladder en ouwetijer. Iets over het Schiedamse dialect’, in: Scyedam, het blad van de historische vereniging 17, 4-12
weduwvrouw , wedvrow , weduwe.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
weduwvrouw , wedevrouw , weduwe.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
weduwvrouw , wedevrouw , wedewief, weduwwief , de , Ook wedewief, weduwwief = weduwe Hij hoest daor met een wedewief (Oos), Die is ok onbestörven wedewief haar man is tijdelijk van huis (Geb)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
weduwvrouw , wedevrouwe , weduwe. Ook: wedewe
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
weduwvrouw , wedevrouwe , weduwe.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
weduwvrouw , wedevrouw , zelfstandig naamwoord , de 1. weduwe 2. damesfiets, oude damesfiets met ronde stang
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
weduwvrouw , weeduvrouw , weduwvrouw , zelfstandig naamwoord , weeduvrouwe , weeduvrouwchie , weduwe Hij is nog in ’t hartie mettat weduvrouwchie getrouwd Hij is nog net op tijd met die weduwe getrouwd; Het pas azzen fluit in een weduwvrouw Antwoord op de vraag of iets past (b.v. moer of bout)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
weduwvrouw , weduwvrouwe , (zelfstandig naamwoord) , weduwe.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
weduwvrouw , [weduwe] , widvrouw , (vrouwelijk) , weduwe
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
weduwvrouw , weedevrouw , zelfstandig naamwoord , weduwe; En weedevrouw die aachter bleef/ meej zeuve klèène kiendjes (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Dènkt es deur...); Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - in wòrsten èn weedevrouwe witte nie wèsse indouwe (Kn'50) - pas op voor een huwelijk met een weduwe; Henk van Rijen - 'weedevraaw'; Frans Verbunt (1996) - 'weedevraaw'; J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - WEDUWVROUW. Men hoort hier onder de mindere klasse meer 'de weduwvrouw N.N.' dan 'de weduwe N.N.’
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
weduwvrouw , widvrouw , weduwe
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal