elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: wepeldoorn

wepeldoorn , wépeldoorn , (mannelijk) , Hooge, wilde rozestam waarop geoculeerd wordt. Gron. wepel – onrustig. Oost-Fr. wepel – beweeglijk en wepeln – zwaaien, wiegelen, schudden. Mnl. wepelen – heen en weergaan. Wepelingh – bijlooper, bijzitter, die zonder eigenlijke betrekking is. Verg. wibbelen.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
wepeldoorn , wiepĕdoorn , bottelroos.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
wepeldoorn , wépeldoorn , (mannelijk) , Hooge, wilde rozestam, waarop geocculeerd wordt. Gron.: wepel – onrustig. Oost-Fr.: wepel – beweeglijk en wepeln – zwaaien, wiegelen, schudden. Mnl.: wepelen – heen en weergaan. Wepelingh – bijlooper, bijzitter, die zonder eigenlijke betrekking is. Verg.: wibbelen.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
wepeldoorn , wepeldoorn , tak van egelantier (wilde roos), o.a. in gebruik als wandelstok
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
wepeldoorn , wiepedoorn , wepedoorn , 1. wilde roos; 2. niet geënte tak van de wilde roos.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal