elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: wijndruif

wijndruif , [wijnstok, druivenboom] , wîndrûve , (mannelijk) , wingerd.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
wijndruif , wiendroeven , wijndruiven.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
wijndruif , wîndrûve , (mannelijk) , Wijndruif; de druif van een boor heet: de druf.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
wijndruif , wiendroevĕ , wijndruif.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
wijndruif , [vrucht voor wijn] , wîndrûve , (mannelijk) , Wijndruif; de druif van een boor heet: de druf.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
wijndruif , wiendroeve , wijndruif.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
wijndruif , wiendroeve , de , 1. wijndruif Der stun een verkoper op maarkt met wiendroeven (Gie), De wiendroeven wassen arg zoer (Wsv) 2. wijnstok Wij hebt een wiendroeve tegen de schure op (Zdw), ...tegen de gevel (Row)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
wijndruif , wiendrôêve , wijndruif
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
wijndruif , wiendroeve , wijndruif.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
wijndruif , wiendroeve , (zelfstandig naamwoord) , wijndruif.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal