elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: wikken

wikken , wikken , eig. voorspellen. Dat wiʼk oe wikken! dat dreig ik u!
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
wikken , wikken , voorspellen, men zegt: dat wi ’k oe wikken! daarmede bedreig ik U!
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
wikken , wikken , (zwak werkwoord) , voorspellen, dreigen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
wikken , wikken , in de uitdrukking: ʼk wil die wikken wezen, dat, enz. = ik wil u verzekeren, dat, enz., waarop dan eene vermaning, waarschuwing of bedreiging volgt. “ – Ik wil joe wikken, Dat ik al wat beleefd heb.ˮ Overijselsch wikken = vast beloven, verzekeren; ik wik tie = ik verzeker het u; Oostfriesch ikk will di ʼt wikken = ik zweer ʼt u.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
wikken , wikken , Dat wik u wikken – dat wil ik wel gelooven, daar kun je op aan, dat verzeker ik je.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
wikken , wikkĕn , voorspellen (wichelen).
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
wikken , wikken , Dat wik u wikken – dat wil ik wel gelooven, daar kun je op aan, dat verzeker ik je.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
wikken , wikken , voorspellen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
wikken , wikken , waarzeggen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
wikken , wikken , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe) = waarzeggen De koenen wikt tegen aander weer, dan staot ze met de bek stief op de zul (Zwig), Die koe stiet ok weer te snoeven tegen de stalpaolen, die wikt. Dat is tegen aander weer (Sle), z. ook weerwikken
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
wikken , wikken , zwak werkwoord, overgankelijk , wegen Nao lang wikken en wegen is het wal deurgaon (Emm), Het is wikken en wegen, of het wel kan (Eel) *De mens wikt, maar God beschikt (Nam)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
wikken , wikken , werkwoord , 1. in wikken en wegen het voor en tegen overwegen 2. als waarschuwing zeggen, bijv. Ik wik et jow! ’k waarschuw je
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal