elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: woensdag

woensdag , goosendag , woensdag.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
woensdag , gônsdag , (mannelijk) , woensdag.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
woensdag , Wōnsdag , woensdag. Kil. wonsdagh, woensdagh, Friesch Woeinsdeg, Engelsch Wednesday.
drokke wōnsdag; de derde woensdag in Mei, zijnde de tweede woensdag van de kermis in de Stad; alsdan houden de Groninger dienstboden kermis. Iemand kondigde aan (1876): “dat er bij hem gedurende de kermis hoornmuziek zal wezen, uitgezonderd drukke woensdag.”
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
woensdag , wonseldag , wunseldag , Woensdag. Vgl. dinkseldag.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
woensdag , Woenesdag , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Woensdag. Deze vorm is ook elders in N.-Holl. de gewone.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
woensdag , Wōnsdag , Woensdag, Friesch Woeinsd’g, Engelsch Wednesday.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
woensdag , wonsĕdach , woensdag.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
woensdag , wonseldag , wunseldag , Woensdag. Verg.: Dinkseldag.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
woensdag  , gônsdaag , woensdag.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
woensdag , Goundag , [gǫŭñdag] , woensdag. ’n Goundag: a.s. woensdag. Ook: ånkuommenden Goundag.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
woensdag , goojndag , Woensdag
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
woensdag , woenesdag , zelfstandig en bijvoeglijk naamwoord , Woensdag.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
woensdag , woenzich , woensdag.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
woensdag , woonseldag , woensdag.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
woensdag , swoenzes , op woensdag.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
woensdag , gounsdag , de , (Zuidoost-Drents veengebied, veroud.) = woensdag Gounsdag mag ik naor de maid (Bco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
woensdag , wonsdag , woensdag, wonsedag, woensedag, woonsedag, wonserda , de , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord). Ook woensdag (Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe), wonsedag (Zuidwest-Drenthe), woensedag (Zuidwest-Drenthe), woonsedag (Zuidwest-Drenthe, zuid, veroud.), wonserdag (Zuidwest-Drenthe, zuid) = woensdag As we de woensdag mar had hebben, dan is de weke zo veurbij (Klv), Wonsedag gaow uut (Die), Wij zegt woensdag, mar ook wel woensedag (Koe), ’s Wons(er)es des woensdags (sa:Rui), z. ook gounsdag
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
woensdag , wonsedag , (Gunninks woordenlijst van 1908) woensdag
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
woensdag , woensdag , woendag, woesdag, woonsedag , zelfstandig naamwoord , de; woensdag
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
woensdag , woenses , 1. bn., woensdags; 2. (‘s-) bw., ‘s woensdags.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
woensdag , woenseldag , (verouderd) woensdag.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
woensdag , woonsdig , goonsdig , (mannelijk) , woensdag
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
woensdag , woensdag , zelfstandig naamwoord , woensdag; Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - Wuunsdaag - woensdag; Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - woensdag vur de wèt, donderdag vur et bèd (Kn'50) - men moest eerst burgerlijk gehuwd zijn, voordat het kerkelijk kon
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
woensdag , woensdig , woensdag
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal