elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: woord

woord , woord , woorde  , spraak; hij wil er geen woord van hebben = hij wil er geen sprake van hebben; hij hef een woord (of: woordje) = op hem ligt de blaam dat hij tooveren kan. Gron.: hij wil ’t gijn woord hebben; ’t mag gijn woord wezen = ’t moet geheim blijven. in: te woorde komen = spreken over zaken, ook Gron. Het Friesch heeft: te woorde willen = te spreken zijn.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
woord , waord , woord , (onzijdig) , waorde , woord.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
woord , woord , in: hij ken d’r ’n woord van doun = hij kan er van roemen, veel ophef mee maken; hij wil ’t gijn woord hebben = wenscht dat het niet bekend wordt, houdt het geheim Hoogduitsch er will es nicht Wort haben; keiner der es Wort haben wird. hij duur’t gijn woord stoan = durft er niet mee voor den dag komen, ook: durft er niet voor uitkomen; ’t mag gijn woord wezen = ’t moet geheim gehouden worden; op ’t woord wezen = over de tong gaan, op de tong rijden (v. Dale), in ongunstigen zin; hij het ’t woord = hij ligt onder die verdenking, ook: hij heeft den naam, zoowel in goeden als slechten zin; hij het ’t woord en de doad = wat ieder van hem zegt is volkomen waar; zij is mit hōm op ’t woord = men beschuldigt haar dat zij omgang met hem heeft; iemand te woorde komen = gelegenheid vinden hem te spreken; ’k bin hōm te woorde west = ’k heb met hem (over zaken) gesproken, (ook Drentsch); Friesch: te woorde willen = te spreken zijn; gijn woorden meer van hōm (den zieke) had hebben, zooveel als: hij heeft de laatste uren van zijn leven geen woord meer kunnen spreken. Spreekwoord: ’t Woord gait vedder (verder) as de man = slechte geruchten dringen tot in de verte door. – Da’s: dout noa mien woorden en nijt noa mien warken = hij geeft goede lessen en vermaningen, maar handelt er zelf niet naar. “Bie dei (siene) lu is ’t altied: dout noa mien woorden, moar nijt noa mien warken.” Vgl. bekend stoan, en zie ook: bōs, alsook Zeeman bl. 429.
woord - wies, in de alliteratie: zunder woord zunder wies vertrekken (of: weggoan) = zonder een woord te spreken, dus ook zonder te groeten, en = zich zeer lomp gedragen. Vgl. wieze.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
woord , woord , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Zie de wdbb. – Zegsw. ’t Is bij hem: ’en woordje om ’en oordje, als iemand weinig zegt. – ’t Zijn woorden als worsten, maar zo vet niet, gezegd als iemand groot spreekt. – (Met een woordspeling met woord, woerd) Zijn woorden zijn goed, maar de eenden leggen de eieren, als iemand veel zegt, maar weinig doet.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
woord , woord* , ook in: hij het ’t woord = den naam, den roep (ook in gunstigen zin); zie ook bekend * en vergelijk de Nederlandsche uitdrukkingen: “hij wil ’t niet weten”, “’t mag geen naam hebben” = hij wil niet dat men er van spreekt, ’t moet geheim gehouden worden; vergel. Dr. R. A. Kollewijn: Bilderdijk, dl. II, bldz. 440! (Hoogduitsch: keiner, der es Wort haben wird = niemand, die het erkennen wil; er will es nicht Wort haben = hij wil het niet bekennen); “’t mag geen naam hebben” beteekent in ’t algemeen meer: ’t is niet noemenswaard; op ’t woord wezen = Nederlandsch op de tong rijden; vergelijk (met bldz. 580) bij v. Dale: zij weet haar woord wel te doen; zie ook bōs * (bldz. 52 en 506.)
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
woord , woord , hij hef ’t woord det ..., er wordt van hem gezegd dat.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
woord  , waord , wöörd , wöördje , woord.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
woord , woord , zelfstandig naamwoord, onzijdig , wùere , wuerdjen , woord. Met eenn wùere hebm, een twistgesprek met iem. hebben; zegge wùere, mondelinge afspraak, niet op schrift; wùere as wùste, dom, lomp geredeneer; gin wùere wiln hebm, ergens geen gepraat over willen hebben; good van de
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
woord , woord , zelfstandig naamwoord ’t , in de zegswijze ’t houge woord komt er uit, men zegt eindelijk, wat men op het hart heeft. – ’t Gaat erin as go(d)s woord in ’n ouderling, gezegd van iemand die graag een borrel drinkt. Meervoud woorde, in de zegswijze hai gebruikt woorde as worste (maar niet zô vet). 1. hij bluft, tracht indruk te maken. 2. hij gebruikt te pas en te onpas ‘geleerde’ woorden. – Je moete de woorde uit z’n tône trekke, gezegd van iemand die zeer zwijgzaam is. – Hai het woorde as ’n wurmedokter, ’t is een opschepper.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
woord , woord , zelfstandig naamwoord , woord. Wè hèttie wir ’n grôôt woord! Wat heeft ie weer veel praats, het hoogste woord.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
woord , woord , het , woorden , woord Die man kan ommeraok van de woorden geweldig praten (Nor), Nooit krieg je een goud woord van dei saggerein (Erf), (...) mor woord hef e wel veel praats (Eex), Een woord man, opscheppen as een klomp (Vri), Det wi’j toch gien woord hebben, daj zo mar overdag zit te lezen wil je niet toegeven, moet geheim blijven (Ruw), Ze hadden woord, dat er een goed nust mus zitten, maar het bleek niet zo te wezen er werd verteld (Dwij), ’s Mörgens is ze slim nustig, dan bint de woorden duur zegt ze niets (Zey), Aw menaar veurbij gaot, is het ‘goeien dag’, maar aans bin ik hum nog neet te woord ewest heb ik nog niets tegen hem gezegd (Rui), Hij wil wel woord hebben wil het erkennen (Row), Ik wol gien woord veur hum hebben het niet voor hem erkennen (Pei), Met wel hebt ze hum op het woord? over wie gaat het gerucht dat hij gaat (moet) trouwen met een bepaald persoon (Sti), Hij hef een woord op hem ligt de blaam dat hij toveren kan (wp, wm), Het iene woord haalde het aandere voort (Eli), Daor is gien wies woord mit te plegen verstandig woord mee te wisselen (Hav), Hij verkondigde het Woord Gods Woord (Dro), Wij kriegt er helemaol gien woorden meer van hij zegt niets meer tegen ons (And), Dat is een van veul woorden en weinig daoden (Bal), Het is argerlijk, dat ze gien ene te woorde steet (Pes), Hie hef zien iegen woorden weer opvreten zijn verklaring ingetrokken (Sle), Hij maakt van zien eigen woorden andermans woorden zegt dat hij iets gehoord heeft etc., hij gelooft zijn eigen leugens (Sle), Wij hebt woorden had met ’n beidend onenigheid (Eev), Hij holdt woord doet zijn woord gestand (Klv), As e mor woord holdt, wordt het duure biest gezegd, als men verwacht, dat een koe drachtig is (Sle), Hai hef ain woord as ain por, maor in wezen is hai ain schiethuus (Git), Hie hef een woord as een kanon, ...klomp (Sle), ...schietschuppe (Bov), ...pachter (Zui), ...kruudkremer (Die), ...advekaot (Oos), ...kniepmes (Dwi), ...wörmdokter (Schn) *Je kunt beter je woord breken dan je nak (Pei); Een dik woord holdt een kerel van het lief, ...van de hoed (Rol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
woord , woord , woorden , woortien, weurtien (Kampereiland, Kamperveen) , woord
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
woord , woord , zelfstandig naamwoord , et, ook wel de in bep. verb. 1. woord als taalkundige eenheid 2. (mv.) tekst van een lied 3. wat gezegd, meegedeeld wordt, bijv. Da’s een waor woord dat is beslist zo 4. boos woord, bijv. in woorden hebben twisten 5. het uiten van woorden, bijv. een goed woortien veur iene doen voor iemand pleiten 6. erewoord, bijv. woord holen nakomen wat men heeft beloofd
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
woord , woord , (zelfstandig naamwoord) , weurtien , woord.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
woord , woeard , (onzijdig) , wuuerd/wäörd , wuuerdje/wäördje , woord , Dao zeen gein wuuerd vuuer. Gein drie wuuerd zègke. ’t Hoeagste woeard höbbe. Mèt twieë wuuerd kalle. Wuuerd mèt emes höbbe: ruzie met iemand hebben.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
woord , waord , wäörd , wäördje , woord
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal