elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: wrang

wrang , wrange , Het hol of de gaten van konijnen, vossen en andere diersoorten, die hunne rust- of verblijfplaats onder den grond hebben, en zich derwaarts langs uitgeholde wegen en pijpen begeven. Van wringen, zich ergens doorschuiven, oudtijds vervoegd – als ik drink, ik drank, nu dronkik wring, ik wrang, nu wrong, b.v. Walewein, vs. 5516: ‘Ontfarmelike wranc soe hare hande / Ende dreef arde groot mesbaer.’
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
wrang , wrang , eene ziekte onder de koeien; wrang in ’t jaor; bestaande in eene opzwelling van den uier. Ook in Gron., maar daar is het ook eene ziekte onder de watervogels, bv. van ganzen, eenden, enz. Oostfr. wrange = pijnlijke en ziekelijke gezwollenheid in de keel, overeenkomende met het MNederd. wrange = keelontsteking, angina. Van: wringen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
wrang , [complex van holen of gangen in de grond] , vrange , wrange , (vrouwelijk) , loopgraaf van konijnen, vossen, enz.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
wrang , vrange , (vrouwelijk) , stremming in de melkgevende uier.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
wrang , wrang , vrang , (zelfstandig naamwoord); opzwelling van den uier, bij koeien; vrang in ’t joar (ook Drentsch.) “Men geeft de koe die de wrang heeft 3 dagen achter elkander telken dag 2 a 3 deciliter traan”, enz. – “Het vee is in de verloopen maand zeer gezond. De wrang, waaraan het in de maand Juli leed, is geweken.” (Veendam 1880). “De veehouders (te Adorp) hebben reden tot klagen over de ziekte, in den wandel genaamd wrang, welke zich in erge mate onder het weidevee begint uit te breiden.” (Juni 1895). – Ook eene ziekte onder de watervogels, ganzen, eenden, enz. bestaande in eene verdikking van de zwemvliezen; zie ook: droop in ’t joar, alsook art. v.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
wrang , vreengĕ , planken hek.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
wrang , wrange , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , wrangn , wràngsken , hol, van konijn
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
wrang , vrang , wrang = uierontsteking
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
wrang , vrange , uierontsteking bij koeien.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
wrang , vrange , zuur, wrang.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
wrang , vrange , uierontsteking bij koe; * vrange in de hoed: ziekte bij koe ten gevolge van vrange.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
wrang , vrange , wrang, zuur.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
wrang , wrang , wrange , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , Ook wrange (Zuidwest-Drenthe) = 1. bitter(zuur) Wrange is de smaak van vruchten, die niet goed riepe bint (Hgv) 2. nors (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe) Hij keek wal een beetie wrang toe, het gung hum heun of (Bei), Wrang kieken zuur kijken (Nor), z. ook wrang(er)ig
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
wrang , wrang , vrang, wrange, vrange , de , Ook vrang, wrange of vrange (Zuidwest-Drenthe, zuid) = uierontsteking Die koe hef een hard vordel, het zal wel vrange wezen (Dwij), In ein kwarteer zat vrang (Nor), Bie wrang kriegen ze kloeten in het jaor (Vtm), As wrang in het bloed komp, is het dodelijk (Sle), Tegen de wrang helpt wal een kwak zoere modder an het juur (Pdh), Geutmodder was best veur wrang, net zo goud as ruzzel (Eev), Addereulie wur bruukt, as de beeist wrang hadden (Eex), (bijv.) Aj de koe niet goed oetmelkt, wordt hij wrange (Bro), Een wrange koe (Zdw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
wrang , vrange , zelfstandig naamwoord , koudvuur (= bloedvergiftiging)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
wrang , vrange , bijvoeglijk naamwoord , wrang
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
wrang , vrange , wrang.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
wrang , wrang , wrange, wranje, vrang, vrange , bijvoeglijk naamwoord , 1. wrang, zuur 2. met wrang I
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
wrang , wrang , wrante , zelfstandig naamwoord , de; wrang, etterdracht (bij vee)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
wrang , vrange , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , wrang, zuur.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
wrang , vrange , (bijvoeglijk naamwoord) , wrang, zuur.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
wrang , vrange , zelfstandig naamwoord , lange pen om koe met een koliek te steken, zodat de gassen kunnen ontsnappen (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
wrang , wrang , wrange , mollengang.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal