elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zaaivat

zaaivat , zeejvat , zaaivat.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
zaaivat , zeivat , vat waaruit het zaad of de kunstmest wordt uitgestrooid.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
zaaivat , zeivat , zaaivat.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
zaaivat , zèeivat , het , Var. als bij zèeien = zaaivat, vat waaruit men met de hand strooide Het zaaivat was van holt (Bov), ...van blik (Die), ...van holt, zink of blik (Hgv), z. ook zèeihuve
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
zaaivat , zeijvat , een bak welke voor de buik wordt gedragen en van waaruit gezaaid wordt.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
zaaivat , zi’jvat , zelfstandig naamwoord , et; vat waaruit men met de hand zaait of kunstmest strooit
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal