elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zaterdag

zaterdag , zaterdag , Zaturdag.
Bron: J.A.V.H. (18e eeuw), Haagsch Nederduitsch woorden-boekje. Den Haag: Johannes Mensert. Uitgegeven in: Kloeke, G.G. (1938), ‘Haagsche Volkstaal uit de Achttiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 57, 15-56.
zaterdag , soaterdag , in: soaterdag hollen, bij v. Dale: zaterdagavond houden; zie: dunderdag.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
zaterdag , zaterdag , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Daarnaast soms zêterdag. Zie de wdbb. || Ik heb ’en zêterdag nag bij je ’eweest. – Ook als naam van een werktuig, bestaande uit een plankje waartegen in ’t midden een stok is gespijkerd, die er een rechte hoek mee maakt. De zaterdag wordt gebruikt om bij houtzaagmolens en op werven het zaagsel weg te schuiven, en is wel zo genoemd omdat er vooral op zaterdag opgeruimd wordt. Elders dient hij om sneeuw weg te ruimen. Men kan er niet mee scheppen. || Neem ’en zaterdag om de snouw weg te schuiven. 2 Sneeuwschoppen, 2 Saterdagen, Invent. papiermolen (Koog, a° 1832), Zaanl. Oudhk.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
zaterdag , zaotĕrdach , zaterdag.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
zaterdag  , zaoterdaag , zaterdag.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
zaterdag , zaoterdag , zaterdag
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
zaterdag , zoatrdag , zelfstandig naamwoord , zaterdag
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
zaterdag , zaterdeg , zelfstandig naamwoord en bijwoord , Zaterdag. Zegswijze zaterdag werke, schoonmaakwerk dat men op zaterdag in en om het huis verricht. – Zaterdeg houwe, 1. op vrijdag reeds het huishoudelijk werk voor de zaterdag doen. 2. een vrije zaterdag(middag) nemen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
zaterdag , zòtterdich , zaterdag.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
zaterdag , zaoterdag , de , zaterdag Op zaoterdag hadden wij vrogger niet vrij (Emm), Hij is zo schone as de poes op zaoterdag (Flu), Hij is zo drok as een krei op zaoterdag (Bui), ...zo dom as een krèei op zaoterdag (Dro), Hij wet er krek zovèule van as een kreie van de zaoterdag (Smi), Het zal nog wal een dag en een zaoterdag duren, veur wij ’nkander hebt enige tijd (bb) *Gien zaoterdag zo zwart of de zunne schient toch nog wat (Bco); Er is gien zaoterdag in het jaor of de zunne schient helder en klaor (Eli); Op zaoterdag komp altied de zunne nog even deur, want anders krig Maria het hemd nich dreuge de H. Maria wast namelijk op zaterdag (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
zaterdag , zaoterdag , zaterdag.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
zaterdag , zaoterdag , zaterdag
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
zaterdag , zaoterdag , zaterdag.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
zaterdag , zaoterdag , zaterdag , Ze begiene de zaoterdag al meej de kèrmus én vur de kénder is't nójt lang genóg. Ze beginnen zaterdag al met de kermis en voor de kinderen is het nooit lang genoeg.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
zaterdag , zaoterdag , zelfstandig naamwoord , de; zaterdag; kwaoie/slechte/zwatte zaoterdag de dag na goede vrijdag
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
zaterdag , zôtterdag , zaterdag
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
zaterdag , zaoterdag , (zelfstandig naamwoord) , zaterdag.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
zaterdag , zaoterdag , zaterdag
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
zaterdag , zotterig , sotteres , zaterdag, op zaterdag , De zotterig kumt vur de zóndig. De zaterdag komt voor de zondag.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
zaterdag , zaoterdig , (mannelijk) , zaterdag
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
zaterdag , zaoterdag , zelfstandig naamwoord , zaterdag; Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - Zoaterdaag — zaterdag; Henk van Rijen - zaoterdaggenaacht - zaterdagnacht; Op ene zaoterdaggemiddag hak ze toch bij dere slip. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
zaterdag , zaoterdig , zaterdag
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal