elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zatzaam

zatzaam , zadzaom , zasem , voedzaam; Gron. zoadzoam, Oostfr. sâdsâm.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
zatzaam , zoadsêm , zoadsoam , wat spoedig verzadigt omdat het voedzame kost is; klōnt is ’n zoadsêm eten; zandeerdappels bin nijt zoo zoadsoam as klaieerdappels. Drentsch zadsaem, zasem, Oostfriesch sâdsâm = voedzaam.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
zatzaam , zaosĕm , voedsaam.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
zatzaam , zasem , zaosem, zadzaom , bijvoeglijk naamwoord , (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe). Ook zaosem (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), zadzaom (dva) = voedzaam, goed vullend, ook: ‘ongewoon stil en nadenkend verzadigd’ (N:Zuidwest-Drenthe) Non kriej vort gien honger meer, want roggenstoet is zasem spul (Oos), Pannekoeken mit spek is zasem èten (Ruw), (zelfst.) Ik bin goed in de zaosem heb mij lekkker dik gegeten (Sle), z. ook za
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal