elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zeljammerig

zeljammerig , zeljammĕrĕch , verdrietig, niet goed alleen kunnende wezen. Als van twee paarden uit een stal een sterft, wordt ’t andere wel zeljammĕrĕch.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
zeljammerig , zeljammerig , zelsjammerig , bijvoeglijk naamwoord , (Zuidwest-Drenthe). Ook zelsjammerig (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. heimwee hebbend naar huis, dan wel (van dieren) naar stal of soortgenoot (Zuidwest-Drenthe, veroud.) Ze is nogal zeljammerig en wil naor huus heb ik een keer gehoord van een grootmoeder, van wie een kleinkind in het ziekenhuis lag (Ruw) 2. zwaarmoedig (Zuidwest-Drenthe, zuid) Mien tante zei soms: Ik bin zo zelsjammerig. As wij dan vroegen: wat is dat? zei ze: ik bin mankeliek (Noo)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal