elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zonnen

zonnen , [in de zon liggen of leggen] , zonnen , (werkwoord) , in de zon leggen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
zonnen , zunnen , (werkwoord = zonnen); ’t zunt nijt = de zon schijnt niet genoeg om ’t gras, waschgoed, enz. snel te drogen; as ’t moar zunt is ’t ies gau weg.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
zonnen , zunnĕn , in de zon zetten.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
zonnen , zunnen , zönnen , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , Ook zönnen (ndva) = 1. in de zon zitten Ik heb in ’t stoel zeten te zunnen (Dro) 2. in de zon zetten (Zuidwest-Drenthe, noord, Zuidoost-Drents zandgebied, ndva) De dekens moej zunnen (Wsv), Zönnen, boken, braoken, schaven, hekeln opeenvolgende bewerkingen van vlas (ndva)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
zonnen , zunn , zonneschijn geven. As ’t begint te zunn, dan i’s ’t heuj ok zo dreuge.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
zonnen , zunnen , werkwoord , zonnen: in de zon liggen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal