elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zoor

zoor , zoar , dor, uitgedroogd. L. F. soar, id.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
zoor , soor , onverschillig, vadsig vrouwspersoon. Het woord is elders als verdroogd, verdord in gebruik. Wil men een’ manspersoon hier als zoodanig aanduiden dan w
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
zoor , zoor , 1. dor, verdord, schraal, dood; van planten; ʼn zoore boom. Zegsw.: hij hef zoor holt verdeend = hij heeft de bons gekregen, ook: zijn beminde is met een ander getrouwd. Oudtijds placht men zoo iemand een verdorden boom of een paal voor de deur te brengen. Sprw.: ’n Groen midwinter ʼn zoor paschen = op een groene kerstmis (als er nl. sneeuw noch ijs is) volgt doorgaans een dorre paschen; ook Gron. (maar voor: zoor, wit.) Gron. soor, soord = sappeloos, verwelkt, niet frisch, van bladeren die beginnen te verdorren; Friesch forsorjan = verdorren, verdrogen. Kil. sore, soore = droog, dor; soren, sooren = droog worden; Oostfr. sôr = dor, verwelkt, verdord; Westf. sör = dor; Noordfr. soor, soer = dor; OHD. sôren = verdorren, verwelken; MHD. sôr = droog, dor; sôren = sôr zijn of worden, AS. soarian, forsoarian; Eng. sear, seared = verzengd, verdord. 2. mager, ingevallen; zoor omme kop = schraal, mager van aangezicht, ingevallen van wangen. Noordfr. soran = ziekelijk, sukkelend. Zie: zoor 1.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
zoor , zoor , (bijvoeglijk naamwoord) , zoore , dor; verdroogd.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
zoor , soor , soord , sappeloos, verwelkt, niet frisch, van bladeren gezegd die beginnen te verdorren; versoren = verdorren, verwelken. Drentsch zoor = dor, schraal; ’n groen midwinter, ’n zoor paschen, Groningsch: gruin midwinter, witte poas; Friesch forsorjan = verdorren, verdrogen; Kil. sore, soore = droog, dor; soren, sooren = droog worden; verslensen, verwelken; v. Dale: zoor = hard droog; zoore tak, zoore huid; Oostfriesch sôr = droog, verdord, dood (van bladeren en takken); soren = verdorren, sterven; Holsteinsch soren = verdorren; Westfaalsch soͤr = dor; Noordfriesch soer, soor, en: sōren = ziekelijk zijn, sukkelen; Middel-Nederduitsch soren, Angel-Saksisch seárjan, Oud-Engelsch searien, Engelsch sear, seared = verzengd, verdord, Middel-Hoogduitsch sôr = droog, dor: sôren = sôr zijn of worden; Hoogduitsch soren = uitdrogen, uitteren, wegkwijnen; Oud-Hoogduitsch sôren = verdorren, verwelken. Zie ook: sōf.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
zoor , zoor , (bijvoeglijk naamwoord) , Zie de wdbb. – Van land. Droog, dor, onvruchtbaar. || Wat is dat ’en zoor stuk land. – Ook in eigennamen. || Die soere veen in Gerritgesweer, Polderl. Assend. I f° 214 v° (a° 1600). D’soore veen in Gerritges weer, ald. IX f° 517 r° (a°1657). Jacob Trijn Heynen soore veen; Haes Steffes soore veen (in Gerrit Claes Pouwelis-weer), Maatb. Assend. (a° 1634). – Vroeger ook van mensen. Uitgedroogd. || Luyden van dagen out, Soor, en dor, en rimpel in wesen, SOETEBOOM, Bloeme-crans 191. – Evenzo bij de 17de-eeuwse Holl. auteurs; zie OUDEMANS 6, 446 en Wdb. op Bredero. 365.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
zoor , soor* , bij v. Dale: zoor = ruw, scherp, hard droog.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
zoor , zoor , verdord.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
zoor , zoor , zoore groond: schrale grond
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
zoor , zoor , soor , bijvoeglijk naamwoord , 1. Droog, dor, schraal (van grond). 2. Schraal, ruw, gebarsten door de kou. | Ik hew zore lippe en zore hande. 3. Schraal, koud (van het weer). Vgl. Fries soar. Zie het N.E.W. onder zoor.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
zoor , zoor , zaor , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , Ook zaor (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = 1. schraal, mager, verdord, verwelkt, ziekelijk Hie kik wat zoor oet grauw, niet in orde (Oos), Het is net een ziek hennegien, zegt ze, as er zo’n zoor meidtien langsgiet (Sle), De hounder lopen er mor wat zoor bai (Row), Die kröppe slaot kriej kedo, want morgen is ie zoor niet goed meer (Hgv), Een zoor ding is ok een wicht, woor niks bijzit (Sle), Hij hef een zaore kleur (Zdw), Zoor holt is verrot holt (Bco), ...is old dreug holt (Die), De blommen hangt er zoor bij (Hgv), Het grös kik zo zaor uut (Klv) 2. dor, onvruchtbaar Zoor holt onvruchtbaar hout, aangeboden aan het in de steek gelaten meisje, ook zore paol (Zuidwest-Drenthe, veroud.), Zoor holt brengen of sjouwen vond voor het laatst eind jaren dertig plaats (Ruw), ‘Hij heeft zoor hout verdiend = zijn beminde is met een ander gehuwd (oudtijds plagt men den zoodanige eenen verdorden boom of paal voor de deur te brengen)’ (wp), ‘Zoor holt kon ook allerhande tuig zijn, zoals wagens, bouw- en melkgerei enz. die men ’s avonds opstapelt voor het huis van iemand wiens of wier vroegere vrijster of vrijer is ingeschreven met een ander’ (N:Zuidwest-Drenthe), As wij vrogger zoor holt sleepten, was het gien poppe in de boom, mar wel veul olde wagens en karren; die wörden vlak veur de ramen ezet en as er een heegd was, daor ook nog een paar dikke bossen stro in schudden en det gebeurde op zaoterdag (Koe), Mit kwakken modder gooiden de padjonges tegen de roeten van Klaos, die ze zoor holt brachten (Mep) *Een gruine kerst gef een zoor paoschen (Bov); Onweer op zaoren toeg gef het hiele jaor regen genoeg (Pdh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
zoor , zaor , dor. De eerpels staot zaor op ’t land van de dreugte.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
zoor , zoor , bijvoeglijk naamwoord , verdord, dood; zore grond, onbewerkte, braakliggende grond (Apeldoorn); zoor hout, zoor holt, dor hout.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
zoor , zoor ,  zelfstandig naamwoord , (verouderd) vast kastje, om eten te bewaren, met een schuin oplopend deurtje.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
zoor , zaor , guur
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal