elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zuiger

zuiger , zoeger , hoos, water- of windhoos.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
zuiger , [plant] , sü̂k , (vrouwelijk) , kamferfoelie.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
zuiger , [soort plant] , zoegĕr , kamperfoelie.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
zuiger , zoeger , zoegerd , de , zoegers , 1. zuiger Ie hebt een zoegerd bij de koenen lopen één, die bij de andere koeien aan de spenen zuigt (Dwij) 2. zeur Wat is dat ain olde zoegerd! (Vtm), Een zoegerd is ien, die bij het handeln aal lig te dingen (Zwe) 3. gierigaard (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) O, dat is zo’n zoegerd! (Wee)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
zuiger , zoeger , zoege , de , zoegers , Ook zoege (hy, in bet. 2.) = 1. zuiger Der komp een neie zoeger in die pomp (Wee), ...in de motor (Wijs) 2. korenjager, lange dikke twijg onder in de stok van de zeis (hy, Zuidoost-Drents zandgebied, Kop van Drenthe), De zoeger an de zwao (Zey), z. ook zoel I, korenjager 3. (bloem van de) dovenetel (Zuidoost-Drents zandgebied, he) 4. windhoos (Zuidoost-Drenthe) Der zat een zoeger in die bui (Sle), Der hangt een zoeger in de lucht (Exl) 5. (meestal verkl.) (bloem van de) kamperfoelie Kamperfoelieblommen waren zoegerties (Zdw), z. ook zoegepapen, zoegnap, zoegpiepies, zoegtetten
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
zuiger , zôêgerd , 1. koe die aan een andere zuigt (Kampereiland, Kamperveen); 2. waterhoos (Kampereiland, Kamperveen); 3. zanikerd (Kampen); 4. zuigkus (Kampen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
zuiger , zoeger , zelfstandig naamwoord , de 1. iemand die zuigt 2. fopspeen of gewone speen 3. pompzuiger 4. hetz. als lammezoeger
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
zuiger , zoeger , (zelfstandig naamwoord) , 1. zuiger, iemand die zuigt; 2. werktuig om mee te zuigen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
zuiger , zuger , wervelwind op zee.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
zuiger , [zuiginstallatie] , zuger , (mannelijk) , zugers , zugerke , zuiger (in de auto of in de pomp)
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
zuiger , zèùger , zelfstandig naamwoord , zuiger; WBD windzuiger (paard dat lucht in de mond zuigt en daardoor oploopt), ook genoemd 'wèndzèùger', 'wèndhapper', 'kribbenbèèter' of 'krib-bèèter'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
zuiger , zu~ger , zuiger
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal