elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zulks

zulks , zōks , zuks , zulks, zoo iets; zōks is nijt mooi = zulks, bv. eene aangedane beleediging moet men afkeuren; zōks is gemijn = dat is slecht, gemeen gehandeld; zukswat = zoo iets; zōks goud = zulk eene stof. Dr. Landr. II, 19: ofte bij gebreeke van zuks; Oostfriesch süks. Zie ook: zōkken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
zulks , [zo iets] , zuks , zulks, zoo iets.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
zulks , zuks , zoks, soks , aanwijzend voornaamwoord , Zulks, zoiets | Zuks ke je niet doen, vezelf. Vgl. Fries soks.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
zulks , zuks , zoks , aanwijzend voornaamwoord , Ook zoks (Zuidwest-Drenthe) = 1. zoiets, iets zodanigs Zuks of zoks keuj no eenmaol van zo’n onverstaand verwachten (Die), Ik kan zoks niet uutstaon (Hgv), Daor hoef ie niet an te komen mit zuks (Ruw), Zuks zul ik nooit doun (Eev), Zie lopt er mor dun, zuks nl. zulke meisjes (Sle), Van zuks hef hij gien verstand van zoiets (Oos), Mit zoks muj deurpakken (Flu) 2. (bijv.) zodanig (Kop van Drenthe) Met zuks volk kuj gien reken holden (Row) 3. zichzelf (hi) Hij har van zuks geen makkelijke natuur, z. ook zukzölf
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
zulks , zoks , aanwijzend voornaamwoord , zoiets, iets dergelijks, één en ander
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal