elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zwijmelen

zwijmelen , zwiemĕlĕn , zwaaien. Kiek die drunkĕn kerel is zwiemĕlĕn.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
zwijmelen , zwiimelen , zwijmelen, zwalken
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
zwijmelen , zwiemln , werkwoord, zwak , door duizeling wankelen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
zwijmelen , zwiemele , duizelen, zwijmelen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
zwijmelen , zwiemelen , wankelen.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
zwijmelen , zwiemelen , zwiemelen, ezwiemeld , wankelen, duizelig worden.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
zwijmelen , zwiemeln , zwak werkwoord, onovergankelijk , waggelen, onvast lopen, heen en weer slingeren Het voor heui zwiemelt aordig slingert (Sle), Hij kwaamp weer onbekwaom van de mark, hij zwiemelde over de weg (Ruw), Hij zwiemelt op de bienen (Zdw), Hij kwam mit de fietse an het zwiemeln (Bro), z. ook zwiebeln
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
zwijmelen , zwiemelen , waggelen. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: zwiembòllen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
zwijmelen , zwiemeln , wankelen.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
zwijmelen , zwiemele , wankelen , Dieje mèns is nie mér bekwaom um te fietse, ge moet'tem 's zien zwiemele. Die man is niet meer bekwaam om te fietsen, je moet hem eens zien wankelen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
zwijmelen , zwiemelen , werkwoord , onvast lopen doordat men draaierig is
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
zwijmelen , zwiemelen , (werkwoord) , zwiemelen, ezwiemeld , wankelen, onvast lopen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
zwijmelen , zweemele , werkwoord , wankelen (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal