elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aanpiepen

aanpiepen , anpiepen , werkwoord , 1. voortdurend blijven zeuren 2. een pijp opsteken 3. vaak, langdurig een pijp roken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
aanpiepen , ònpiepe , zwak werkwoord , ònpiepe - piepten aon - òngepiept , ònschiete' in kindertaal; kleding aantrekken; Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANPIEPEN - in de kindertaal 'aanschieten': me zullen oe' fraksken is aanpiepen.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal