elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aanpietsen

aanpietsen , anpietsken , aandrijven met de zweep. Zie: pietsken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
aanpietsen , anpietsken , zie: pietsken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
aanpietsen , anpîtsen , Oprijden. D(i)ee meid is zoo lui astertô; ’k mot haar den hélen dag anpîtsen.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
aanpietsen , [aansporen] , anpîtsen , Oprijden. D(i)ee meid is zoo lui astertô; ’k mot haar den hélen dag anpîtsen.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
aanpietsen , anpietsen , anpietsken , Ook anpietsken (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën) = 1. aanjagen Het olde peerd muj altied wat anpietsen (Pei), De jonge mus de koenen wat anpietsen opjagen (Flu) 2. strak aantrekken (Zuidwest-Drenthe, zuid) Ie mut dat touw goed anpietsen (Pes), Niet zo stief anpietsen! (Hol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aanpietsen , anpietsen , werkwoord , 1. door voort te drijven verder doen gaan, sneller doen lopen enz. 2. aanzetten sneller te werken, meer te doen 3. voortmaken, harder werken, zich meer inspannen 4. steviger in elkaar zetten, beter vastbinden enz.
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal