elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aanpoten

aanpoten , ånpuatten , aanpoten, bijpoten; ne zeikte ånpuatten: een ziekte overbrengen; bööme ånpuatten: bomen aanplanten
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
aanpoten , ánpote , haast maken Dè wördt nog ánpote um op tied klaor te zien. Haast maken het op tijd te klaren.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
aanpoten , aapaote , paotde aan, haet of is aangepaot , iemand iets aansmeren.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
aanpoten , [besmetten] , anpoaten , aansteken, besmetten m.n. van ziektes.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
aanpoten , [opschieten] , anpoten , opschieten.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
aanpoten , anpoten , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , 1. opschieten, flink doorwerken Even anpoten, jong, aans kooj niet klaor (Dwi) 2. met een ziekte besmetten Ik bin verkolden. Kom niet te dicht bij, ik kan je zo anpoten (Sle), Ie bint zo verkolden as een katte, ik begère neet, dej het mij anpaot (Rui)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aanpoten , anpaotn , met een ziekte besmetten. Iej heb mien de verkolnheid lillek anepaot.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
aanpoten , anpootn , voortmaken. Ie muttn anpootn um veur zes uur klaor te wèèn met dit wârk.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
aanpoten , ônpóóte , opschieten , Ut kós hiit zén óp de schèlleft és ge hóój moest losse, ge moest nog ônpóóten ók. Het kon heet zijn op de hooizolder als je hooi moest lossen, je moest nog opschieten ook.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
aanpoten , anpoten , werkwoord , 1. aanbenen, snel, krachtig voortstappen 2. opschieten, voortmaken met het werk 3. met een ziekte besmetten 4. aanplanten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
aanpoten , anpoten , (werkwoord) , poten an, an-epoot , opschieten, flink doorwerken.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
aanpoten , ènpoote , doorwerken , We moete steejvig ènpoote um ’t wèèrk klôr te kreijge. We moeten flink doorwerken om het werk klaar te krijgen.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
aanpoten , [besmetten] , anpaoten , anpoten , 1. bij spelletjes stiekem over de lijn proberen te beginnen, vgl. anfoeksen (Putten); 2. besmetten (met een ziekte).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
aanpoten , anpoteren , aanpoten, opschieten (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
aanpoten , aanpoeate , 1. aanpoten, hard werken 2. iemand iets aansmeren
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal