elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aanrijding

aanrijding , anrieding , aanrijding.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
aanrijding , anrieding , de , anriedings , aanrijding Ik heb een anrieding had. Het was niet mien schuld, mar wat koop ik daor veur (Nam)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aanrijding , anrieding , zelfstandig naamwoord , de; aanrijding
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
aanrijding , aonryjing , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , aonryjinge , - , aanrijding , VB: Ich väor noé al 50 jaor ôtô zoonder aonrying.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
aanrijding , [verkeersongeluk] , anrieding , anriejing, anri’jding, anriedink , (zelfstandig naamwoord) , aanrijding.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
aanrijding , aanriejing , (vrouwelijk) , aanrijding
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal