elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aanstekelijk

aanstekelijk , anstekkelek , bijvoeglijk naamwoord , besmettelijk
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
aanstekelijk , anstikkelik , bijvoeglijk naamwoord , 1. aanstekelijk: besmettelijk 2. tot de houding leidend om hetz. te doen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
aanstekelijk , [besmettelijk] , anstèkelijk , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , aanstekelijk.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal