elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aantal

aantal , antal , aantal, het Hoogduitsche Anzahl, Deensch, Zweedsch antal. Verdam: Niet Middel-Hoogduitsch of Middel-Nederduitsch doch in de Oud-Germaansche talen moet een werkwoord bestaan hebben, waarvan het Nederlandsche en Middel-Nederduitsche aantal, Hoogduitsch anzahl, is afgeleid.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
aantal , antal , het , antallen , aantal Verleden jaor hadden wie ein heil aantal kippen (Erf), Nou, ie kompt mor met de hele meute heur, het komp op het antal niet an (Hijk), Der zit genogt an, het aantal is goed, mar ze bint nogal wat klein bleven van aardappels (Ker), zie ook tal
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aantal , antal , zelfstandig naamwoord , et; aantal exemplaren van iets
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
aantal , ├┤ntal , aantal
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal