elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aanvallen

aanvallen , anvallen , onverwacht een bezoek brengen; zij kwammen moar zóó anvallen = wij waren op hun bezoek niet voorbereid. Vgl. anval.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
aanvallen , aanvallen , (anvallǝ) , (sterk werkwoord, intransitief) , 1) Bevallen, aangenaam zijn. || Ik denk niet, dat ’et erg anvallen zel, in dit weer na Wormer te lopen. (De lente,) die ons valt zoet en lieflyk aan, SCHAAP, Bloemt. ed. 1724, 304. Het valt niks an, zo dadelijk na den eten te moeten roeien. 2) Bevallig staan, van kledingstukken. || Die kapertjes vielen haar toch zo an (dat kleine kind stonden die kapertjes toch zo aanvallig). Alles valt haar an (alle kleren staan haar goed). Het woord is ook verderop in N.-Holl. in gebruik, vgl. DE JAGER, Taalk. Mag. 4, 365 en Ned. Wdb. I, 431. Er van afgeleid is het algemeen gebruikelijke aanvallig.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
aanvallen , anvalle , werkwoord , Ook: 1. Bevallen, aanstaan. | As ’t anvalt, mà je bloive. 2. Elkaar gemakkelijk kunnen vinden, gemakkelijk contact met elkaar krijgen. | Je kenne wel zien dat ’t anvalt mit die twei. 3. Bevallig staan van kleding. | ’t Is echt ’n jurk die anvalt. Vgl. Nederlands aanvallig, dat waarschijnlijk onder invloed van het Noordhollandse anvalle = bevallen, is ontstaan.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
aanvallen , anvallen , sterk werkwoord, overgankelijk , 1. aanvallen Die hond is vals, hie valt je morzo an (Zwin) 2. toetasten Moej ok nog even achter de pet [bidden] veurdaj anvalt? (Val) 3. gedijen, zich ontwikkelen (Zuidwest-Drenthe, zuid, Kop van Drenthe, ti) Die wil niet anvallen, die blif maar mager (Hol), Het wil hum wel anvallen hij wil wel groeien (Nije) 4. aandringen (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe) Hie vul der zo op an, ik kun er niet veurweg (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aanvallen , anvalen , werkwoord , 1. strijd gaan leveren 2. volop gaan eten en evt. drinken 3. zich openbaren 4. als eerste ervaringen hebben, al dan niet goed vallen, op een bep. wijze uitpakken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
aanvallen , anvallen , luid blaffen van een hond om alarm te slaan (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal