elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aanzegging

aanzegging , anzeg’ngge , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , nadrukkelijk bericht
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
aanzegging , anzegging , anzeggen , anzeggings , Ook anzeggen (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Veenkoloniën) = mondelinge mededeling Van de week hef de anzegging west van de overleden buurman (Ass), Doe hij estörven was, hebt de beide naoste buren anzeggen edaone bij de aandere buren en op adressen in de buurte (Bro), Mien neve hef anzegging kregen dat hij met 3 jaar van die stee af mot (Bei), Is Egbert der niet? Hie hef der wal anzegging van kregen (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aanzegging , anzegging , anzegginge , zelfstandig naamwoord , de; mededeling door anzeggen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal