elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: achteruitboeren

achteruitboeren , achteroetboerken , zie: boerken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
achteruitboeren , [achteruitgaan] , achterü̂tbûren , Achteruitgaan in stoffelijken zin. D(i)ee man is in zîn etrouwen ha(r)d achterü̂tebûrd; zîn vrouwe is ’n héle slechte hü̂shòlderse. Ook Limb. Brab. en W. Vl. O. V. III p. 3.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
achteruitboeren , achterü̂tbûren , Achteruitgaan in stoffelijken zin. D(i)ee man is in zîn trouwen ha(r)d achterü̂tebûrd! zîn vrouwe is ’n héle slechte hü̂shòlster. Ook Limb. Brab. en W. VI. O. V. III, p. 3.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
achteruitboeren , âchteruutboêre , achteruitgaan Héj boert allénnig mar âchteruut. Hij boert/gaat alleen maar achteruit.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
achteruitboeren , achteruutboeren , 1. boeren met slecht resultaat. 2. alg.: financieel slecht gaan.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
achteruitboeren , achteruutboeren , achteruitgaan in zaken
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
achteruitboeren , achteruutboern , financieel achteruitgaan. Hie is in de leste vief jaor hârd achteruut eboerd.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
achteruitboeren , aachteruutboerken , werkwoord , achteruitboeren, een teruggang ondergaan in een boerenbedrijf of andere zakelijke onderneming
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
achteruitboeren , achteruitboere , werkwoord , boer achteruit, boerde achteruit, achteruitgeboerd , economisch achteruitgaan
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
achteruitboeren , achteruutboeren , (werkwoord) , boeren achteruut, achteruuteboerd , financieel achteruitgaan.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
achteruitboeren , âchteruitboere , achteruitgaan in zaken of gezondheid
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
achteruitboeren , [achteruit gaan] , achteroetboere , achteruitboeren, in zaken achteruit gaan , Wae boere achteroet.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
achteruitboeren , aachterötboere , zwak werkwoord , aachterötboere - boerde(n) aachterèùt - aachterötgeboerd , achteruitboeren, (langzaam) achteruitgaan (in zaken); Stadsnieuws: Vanaf dè hullieje paa öt de zaok is gegaon, heetie alleen mar aachterötgeboerd. (080807); J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): ACHTERUITBOEREN - achteruitgaan in stoffelijken zin; WNT Achteruitboeren! Eigenlijk: Als boer slechte zaken doen; bij uitbreiding:in 't algemeen achteruitgaan in stoffelijke welvaart.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal