elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: adder

adder , edder , adder.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
adder , edder , adder
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
adder , edder , adder , edders , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe). Ook adder (Zuid-Drenthe, Noord-Drenthe) = 1. adder Niet in die lange heide lopen, der kun wel ies een edder zitten (Sle), Der zit een adderdie onder het grös (Dwi), ...onder het roet (Nor), Hie springt umhoog, of e deur een adder beten is (Eex), Vrogger worde der beweerd dat een adder zien starte in de bek stak en dan de meinsen as een hoepel achternao runde (Hav) 2. gemeen persoon, serpent Wat een adder van een wicht (Pdh), zie ook adderig
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
adder , adder , zelfstandig naamwoord , de 1. adder 2. hoopje menselijke uitwerpselen in de natuur 3. venijnige persoon
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
adder , aor , aore , adder.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal