elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afbijten

afbijten , aafbiete , biet, biets, biet, beet, gebete , afbijten.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
afbijten , aafbiete , beet aaf, haet of is aafgebeete , afbijten.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
afbijten , ofbieten , sterk werkwoord, overgankelijk , 1. afbijten As ze je te nao komt, moej van je ofbieten (Exl), Ze magt wel ies van mien appel afbieten (Zdw), Hij bit de woorden kört of (Sle), Die varve krabbe ie zo niet weg, dat muj ofbieten (Hgv), Hie hef de bieters ofbeten het bijenvolk heeft de indringers verdrongen (Sle) 2. eten wegnemen Bij een grote toom biggen komp het vaak veur dat er ien ofbeten wordt (Bui) 3. afsnauwen (Zuidwest-Drenthe) Ze kun hum lillijk ofbieten (Nije)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afbijten , afbiite , afbijten , Iemes van d’n bak afbiite. Iemand van de bak afbijten. Iemand te vlug af zijn, zijn meisje afhandig maken.
Voltooid deelwoord afgebeete. Héd’de gi nen haon de kop afgebeete? Heb jij een haan de kop afgebeten? Vraag aan een meisje die haar lippen gestift heeft.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
afbijten , ofbieten , werkwoord , 1. afbijten 2. doodbijten (binnen een bijenvolk) 3.van zich houden door bijten 4. afsnauwen 5. ferm beantwoorden van pesterij e.d.
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
afbijten , ofbijte , werkwoord , bijt of, beet of, ofgebeete , van zich afbijten, zich verweren Je mô’ vaj je of bijte Je moet van je afbijten
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
afbijten , [via bijten verwijderen] , ofbieten , (werkwoord) , afbijten.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
afbijten , aafbiete , afbijten , Zien nieëgels aafbiete.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
afbijten , aafbiete , werkwoord , bietj aâf, beet aâf, aafgebete , afbijten; zie hiët de haan de kop aafgebete – zij heeft haar lippen gestift
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
afbijten , aafbiete , aafbiête , werkwoord , bitj aaf, bieët/beet aaf, aafgebieëte/aafgebete , eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); afbijten
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal